Modernisering personenvennootschappen: gaat het nu echt gebeuren?

Meer artikelen over:Corporate litigation

21 februari 2019 is het concept-wetsvoorstel voor een nieuwe regeling van personenvennootschappen (de vennootschap onder firma, maatschap en commanditaire vennootschap) op internetconsulatie.nl gepubliceerd. Personenvennootschappen worden vaak gebruikt in het midden- en kleinbedrijf, de agrarische sector en dienstverlening (artsen, advocaten en notarissen). Op 1 januari 2019 telde Nederland volgens cijfers van de Kamer van Koophandel circa 231.000 personenvennootschappen.

Regeling personenvennootschappen uit 1838

Dat is niet de eerste keer dat een poging wordt gedaan om de wetgeving omtrent personenvennootschappen te moderniseren. Ook in 1972 en 2002 werd een poging gedaan. Helaas beide keren zonder succes. Huidige stand is dus nog een regeling die stamt uit 1838 en modernisering behoeft.

Daartoe wordt nu dus een voorstel gedaan dat grotendeels gebaseerd is op het ontwerp van een werkgroep uit de praktijk onder voorzitterschap van Martin van Olffen.

De drie – in mijn ogen belangrijkste punten – uit het wetsvoorstel zijn als volgt.

Notaris niet vereist

Allereerst blijft inmenging van een notaris niet nodig voor het starten van een personenvennootschap. In het eerdere wetsvoorstel uit 2002  was dat – onder omstandigheden – nog wel vereist, maar dat keert niet terug in dit wetsvoorstel. Net als nu, kunnen partijen een personenvennootschap aangaan door het sluiten van een overeenkomst. Uiteraard kan het raadzaam zijn om wel juridisch advies in te winnen bij het sluiten van die overeenkomst, maar het grote voordeel van een personenvennootschap is nu juist dat deze bijvoorbeeld door startende ondernemers relatief makkelijk en goedkoop te benutten zijn.

Rechtspersoonlijkheid

Daarbij krijgen personenvennootschappen (nu eindelijk) rechtspersoonlijkheid. Oftewel: zij worden zelfstandig drager van rechten en verplichtingen net zoals een BV of NV dat nu al is. Dat heeft twee belangrijke voordelen. Allereerst wordt het daarmee eenvoudiger om registergoederen aan de vennootschap over te dragen. Bovendien wordt het makkelijker voor vennoten om toe- en uit te treden. Op dit moment moeten daar vaak ingewikkelde afspraken over worden gemaakt.

Aansprakelijkheid

Ten slotte komen er wijzigingen in de regeling omtrent aansprakelijkheid. Naar huidig recht geldt voor personenvennootschappen kort gezegd dat vennoten  voor gelijke delen of voor het geheel aansprakelijk zijn voor schulden van de vennootschap. In het voorstel wordt elke vennoot hoofdelijk aansprakelijk voor schulden van de vennootschap als het vermogen van de vennootschap zelf niet voldoende verhaal biedt. Een echte vernieuwing – en naar mijn idee vooral ook verbetering – wordt de regel dat als een wederpartij uitvoering van een opdracht specifiek aan één vennoot toevertrouwt, alleen deze vennoot (tezamen met de vennootschap) aansprakelijk is en de andere vennoten niet.  Een reden dat bijvoorbeeld veel advocaten de maatschapsvorm verlaten hebben is onder meer gelegen in het feit dat bij de huidige regeling van de maatschap, alle maten aansprakelijk zijn als één van de maten een beroepsfout maakt waarvoor de maatschap kan worden aangesproken.

Ook is in de nieuwe regeling een toetredende vennoot slechts aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap die na zijn toetreden zijn ontstaan. Een vennoot die uittreedt is bovendien uiterlijk vijf jaar na uittreding bevrijd van zijn aansprakelijkheid voor verplichtingen van de vennootschap.

Internetconsultatie

Uiteraard is het nu nog afwachten of de regeling er in de huidige vorm doorheen komt. De internetconsultatie loopt tot 31 mei 2019. Het is in ieder geval te hopen dat we nu eindelijk een nieuwe regeling krijgen, al is het maar om (wellicht wat weemoedig) afscheid te kunnen nemen van dit soort wetteksten (art. 33 Wetboek van Koophandel):

“Indien de staat der kas van de ontbondene vennootschap niet toereikt om de opeischbare schulden te betalen, zullen zij, die met de vereffening belast zijn, de benoodigde penningen kunnen vorderen, welke door elk der vennooten, voor zijn aandeel in de vennootschap, zullen moeten worden ingebragt.”