Misbruik van bevoegdheid schuldeiser V&D door incasseren huur

Meer artikelen over:Cassatie
Paul Tanja
Paul Tanja Advocaat

V&D huurt in 2015 nog winkelruimtes, maar de kas begint leeg te raken. Na een bijzonder akkoord met bijna alle verhuurders wordt aan V&D een voorwaardelijke en tijdelijk huurkorting toegekend. Een klein aantal verhuurders weigert echter om V&D korting te geven op de huurprijs. Eén daarvan is Mondia: zij eist onverminderd nakoming. Volgens de Hoge Raad kan in zo’n situatie aansluiting worden gezocht bij de maatstaf van misbruik van bevoegdheid wegens het weigeren van meewerking aan een buitengerechtelijk akkoord (24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:485).

Vaststellingsovereenkomst tussen V&D en verhuurders

V&D overlegt in februari 2015 met vrijwel alle verhuurders over hun bijdrage aan een oplossing voor het voortbestaan van V&D. Na enkele dagen onderhandelen sluiten V&D en de betrokken verhuurders een vaststellingsovereenkomst, die kort gezegd inhoudt dat V&D in de maanden februari tot en met juli van dat jaar slechts ongeveer de helft van de huur zal voldoen. In de overeenkomst is uitdrukkelijk opgenomen dat V&D zich er bewust van is dat de verhuurders aldus een aanzienlijk offer brengen om V&D van faillissement te behoeden. V&D dient zich hiervan rekenschap te geven in het eventuele geval dat hij wordt aangesproken door een verhuurder die niet mee doet met de regeling. De inkt is nog maar nauwelijks droog, of V&D wordt aangesproken door Mondia – de verhuurder van een winkelruimte in Hengelo. Mondia is één van de weinige verhuurders die niet mee doet aan voornoemde regeling. Mondia vordert betaling van het volledige huurbedrag. V&D weigert, indachtig de regeling met de andere verhuurders. Daarop begint Mondia een kort geding.

Misbruik van bevoegdheid Mondia

Waar de voorzieningenrechter de vordering van Mondia nog toewijst, oordeelt het hof dat deze vordering misbruik van bevoegdheid door Mondia oplevert. Het hof wijst de vordering van Mondia dan ook af. De Hoge Raad laat dit oordeel in stand en zoekt daartoe aansluiting bij de maatstaf van misbruik van bevoegdheid wegens de weigering van een schuldeiser om mee te werken aan een buitengerechtelijk akkoord.

Misbruik van bevoegdheid is neergelegd in artikel 3:13 lid 2 BW. Dit artikel bepaalt (o.a.) dat een bevoegdheid kan worden misbruikt door haar uit te oefenen terwijl men gelet op de wederzijdse belangen naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. De Hoge Raad heeft in een arrest van 12 augustus 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT7799) uitgemaakt, dat van misbruik sprake kan zijn wanneer een schuldeiser weigert mee te doen aan een buitengerechtelijk akkoord. Zo’n buitengerechtelijk akkoord wordt met de gezamenlijke schuldeisers gesloten in situaties van dreigende surseance van betaling en faillissement, en leidt – hopelijk – tot een bevredigender resultaat dan afwikkeling van de boedel via surseance of faillissement. Van misbruik van bevoegdheid is in zo’n situatie alleen onder bijzondere omstandigheden sprake. In principe staan partijautonomie en contractsvrijheid voorop.

In de zaak tussen V&D en Mondia ging het strikt gezien niet om de vraag of Mondia misbruik van bevoegdheid maakte door het enkele niet meedoen aan de regeling van V&D met de andere verhuurders. Toch kwam de vordering van Mondia er feitelijk op neer dat zij zich aan de werking van die regeling probeerde te onttrekken. De Hoge Raad overweegt daarom dat de rechter in gevallen als deze aansluiting mag zoeken bij de maatstaf van misbruik van bevoegdheid, die wordt gebruikt indien een schuldeiser weigert een buitengerechtelijk akkoord te aanvaarden. De Hoge Raad voegt daaraan nog toe dat de omstandigheid, dat Mondia niet de enige was die niet meedeed met de regeling van V&D, er op zichzelf niet aan in de weg staat dat Mondia misbruik van bevoegdheid maakt door zich aan die regeling te onttrekken. Daarbij weegt de Hoge Raad mee dat (ook) Mondia heeft geprofiteerd van het offer van de andere verhuurders.

Maatregelen voorafgaand aan insolventie

Al met al past dit arrest in de trend om het voor een in financieel zwaar weer verkerende (rechts)persoon mogelijk te maken maatregelen te treffen, die oorspronkelijk thuis horen in het insolventierecht (vgl. het wetsvoorstel Herijking Faillissementsrecht). Dat is over het algemeen een goede zaak – voorkomen is immers beter dan genezen – al moet wel oog worden gehouden voor het recht van een schuldeiser om zijn schuldenaar zo te benaderen als hij  wenselijk acht. Er is formeel tenslotte nog geen sprake van een insolventiesituatie die de bevoegdheden van schuldenaar en schuldeiser aan banden legt. Het is daarom terecht dat de Hoge Raad nogmaals opmerkt, dat van misbruik van bevoegdheid in dit soort gevallen slechts onder bijzondere omstandigheden sprake kan zijn.

Advocaten Jesse Zijlma en Ingrid Reimert van BarentsKrans, en Tomas Steenmetser van Lexence, stonden de gezamenlijke verhuurders bij in de procedure bij de rechtbank en het hof.