Jaarverslag Hoge Raad 2021: BarentsKrans draagt opnieuw bij aan de rechtsontwikkeling

In het jaarverslag 2021 van de Hoge Raad worden de belangrijkste cijfers en gebeurtenissen van het afgelopen jaar op een rij gezet. Op deze wijze legt de Hoge Raad publiekelijk verantwoording af over de verrichte werkzaamheden en de middelen die daarvoor in het jaar 2021 zijn ingezet. De Hoge Raad benoemt daarnaast enkele civiele zaken die voor de rechtsontwikkeling van bijzonder belang zijn geweest. Bij meerdere van deze zaken is BarentsKrans betrokken geweest.

Grondrechten en de Hoge Raad

In de afgelopen jaren is de aandacht voor de rol van grondrechten in de rechtspraak toegenomen. In zijn jaarverslag licht de Hoge Raad toe dat hij, door zijn taak om geschillen te beslechten en strafbare feiten te berechten, onder omstandigheden ook het individuele belang bij de naleving van grondrechten dient mee te wegen. Grondrechten dienen mensen immers in hun vrijheid en waardigheid te beschermen. Op deze wijze kan door de rechtspraak individuele rechtsbescherming worden geboden. Dat grondrechten in 2021 invloed hebben gehad op de rechtspraak van de Hoge Raad, blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraken over de regeling van de vermogensrendementsheffing en het dragen van kleding met het logo van een verboden motorclub.

De civiele kamer in cijfers

Ten opzichte van 2020 is het aantal bij de Hoge Raad ingebrachte civiele zaken afgenomen. Waar in 2020 in 439 civiele zaken cassatie werd ingesteld, gebeurde dat in 2021 in 401 civiele zaken. Verder springt in het oog dat lagere rechters in 2021 twintig keer zijn overgegaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Dit aantal was nog nooit zo hoog. Van de zaken die de Hoge Raad in 2021 heeft behandeld, heeft hij 55% inhoudelijk afgedaan (50% in 2020). Niet alleen het aantal zaken dat de Hoge Raad met een beroep op artikel 81 RO zonder motivering heeft afgedaan is daarmee afgenomen (167 zaken in 2021 tegenover 194 zaken in 2020), maar ook het aantal zaken waarin de Hoge Raad op grond van artikel 80a RO tot niet-ontvankelijkheid heeft besloten (0 zaken in 2021 tegenover 1 zaak in 2020). Het percentage van de cassatieberoepen waarin de Hoge Raad tot vernietiging van de bestreden uitspraak overgaat, is ten slotte gestegen van 25% in 2020 naar 29% in 2021.

Rechtsontwikkeling: vijf bevorderende uitspraken

Verschillende uitspraken die de Hoge Raad in 2021 heeft gedaan zijn belangrijk geweest voor de rechtsontwikkeling of zijn anderszins maatschappelijk relevant. De Hoge Raad licht vijf civiele zaken uit in zijn verslag. Bij twee daarvan was BarentsKrans betrokken.

Uitspraak 1: gelijke kansen bij uitgifte van grond

Een ondernemer kan zich niet vinden in het voornemen van de gemeente Montferland om een perceel grond in het centrum van Didam aan een projectontwikkelaar te verkopen. De gemeente zet de verkoop desondanks door, zonder de geïnteresseerde ondernemer de mogelijkheid te bieden om het perceel te verwerven. De Hoge Raad oordeelt dat overheden, ook bij het aangaan en uitvoeren van privaatrechtelijke overeenkomsten, niet in strijd mogen handelen met het gelijkheidsbeginsel. Indien een gemeente voornemens is om een perceel grond te verkopen, dan zullen de potentiële gegadigden gelijke kansen moeten worden geboden om het perceel te kunnen verwerven. Ten behoeve van de transparantie kan van overheden worden verwacht dat helder wordt gecommuniceerd over de selectieprocedure en dat de selectiecriteria objectief, toetsbaar en redelijk zijn.

Uitspraak 2: gezondheidscrisis en huurkorting voor bedrijven

Ten gevolge van de coronacrisis heeft een groot aantal branches, waaronder horeca en winkels, verplicht de deuren gesloten moeten houden of anderszins beperkingen in de bedrijfsvoering ondervonden. Naar aanleiding van prejudiciële vragen van de rechtbank Limburg heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag of de coronacrisis tot huurprijsvermindering moet leiden bij de huur van bedrijfsruimte (in de zin van artikel 7:290 BW). De Hoge Raad overweegt dat hiertoe aanleiding kan bestaan, nu de coronacrisis een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW kan betreffen. Het nadeel dat de huurder lijdt, dient in beginsel gelijkelijk door de huurder en de verhuurder te worden gedragen. De Hoge Raad noemt verschillende concrete omstandigheden die de lastenverdeling kunnen beïnvloeden. BarentsKrans publiceerde al eerder over deze uitspraak. Philip Fruytier, Ingrid Reimert en Marlou Timmerman hebben namens INretail, de belangenvereniging van de retailbranche, in cassatie schriftelijke opmerkingen ingediend.

Uitspraak 3: uitstapjes met pleegouders

Naar aanleiding van prejudiciële vragen van de rechtbank Den Haag heeft de Hoge Raad een uitspraak gewijd aan de vraag wie toestemming dient te geven voor uitstapjes of vakanties van een in een pleeggezin geplaatst kind, dat onder toezicht is gesteld van een instelling van jeugdhulp. Het nemen van zodanige beslissingen behoort volgens de Hoge Raad in beginsel tot de taken van de pleegouders. Indien de omgangsregeling van het kind met diens ouders door het uitstapje of de vakantie zou worden beïnvloed, moet dit wel aan de instelling worden gemeld. De instelling kan vervolgens zelfstandig toestemming geven of weigeren, evenals in situaties waarin de instelling de pleegouders om andere redenen heeft verzocht om de instelling om toestemming te vragen. De Hoge Raad benadrukt in dit verband dat het belang van het kind steeds als uitgangspunt heeft te gelden.

Uitspraak 4: aardbevingsschade Groningen

In 2019 beantwoordde de Hoge Raad een aantal prejudiciële vragen over de aansprakelijkheid voor schade als gevolg van aardbevingen veroorzaakt door gaswinning en de soorten schade die voor vergoeding in aanmerking komen. In 2021 wees de Hoge Raad arrest in een procedure die 65 gedupeerde bewoners van het gaswinningsgebied hebben aangespannen tegen de Nederlandse Aardoliemaatschappij. Niet alleen heeft de Hoge Raad verhelderd op welke wijzen de kring van schadegerechtigde gedupeerde bewoners kan worden afgebakend, maar ook dat deze bewoners onder omstandigheden recht hebben op immateriële schadevergoeding. BarentsKrans publiceerde al eerder over deze uitspraak. Rieme-Jan Tjittes en Hugo Boom stonden de gedupeerde bewoners in cassatie bij.

Uitspraak 5: aanwezige middelen bij aanvang schuldsanering

In de laatste uitgelichte uitspraak brengt de Hoge Raad een nuance aan op artikel 296 lid 2 Fw, waarin is bepaald dat een schuldenaar bij toepassing van de schuldsanering zijn geld en goederen aan de bewindvoerder moet afstaan. Veelal krijgt een schuldenaar na enkele dagen of weken de beschikking over een gedeelte van zijn inkomen. Wanneer echter op relatief korte termijn, bijvoorbeeld, vaste lasten moeten worden voldaan, zoals de huur of de energierekening, bestaat het risico dat de schuldenaar nieuwe schulden zal aangaan. Dit ondergraaft het doel van de schuldsanering om tot een “schone lei” te komen. De Hoge Raad verduidelijkt om die reden dat de bewindvoerder maatwerk kan leveren en, met het oog op het voldoen van, bijvoorbeeld, de vaste lasten, kan bepalen dat de schuldenaar niet al zijn geld en goederen bij aanvang van de schuldsanering hoeft af te dragen.

Benieuwd wat onze cassatieadvocaten voor u kunnen betekenen? Bezoek dan onze cassatiepagina.

Meer artikelen over:Cassatie