IPR: Hoge Raad gaat prejudiciële vragen stellen over Erfolgsort bij schade op Nederlandse beleggingsrekening

Meer artikelen over:Commerciële contracten
Annelies van der Ploeg
Annelies van der Ploeg Advocaat / partner

In een internationaal, commercieel geschil speelt vaak de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de in dat geschil ingestelde vorderingen. Deze vraag kwam ook aan de orde in een arrest van de Hoge Raad van 14 juni jl. in een procedure tussen de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) en BP.

De zaak gaat om een door VEB ingestelde collectieve actie tegen BP in verband met de olieramp in de Golf van Mexico in 2010. Volgens VEB heeft BP aandeelhouders met een in Nederland aangehouden beleggingsrekening over de explosie op het boorplatform Deepwater Horizon onjuist, onvolledig en misleidend geïnformeerd. Hierdoor schond BP haar wettelijke informatieplichten en handelde zij onrechtmatig jegens de BP-aandeelhouders. De (beweerde) schade van de BP-aandeelhouders bestaat uit de forse waardedaling van de aandelen na de explosie en betreft dus zuiver financiële schade.

Het Erfolgsort bij zuiver financiële schade

In cassatie staat de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is omdat Nederland kan worden aangemerkt als de plaats waar de schade is ingetreden (het zogenoemde Erfolgsort) in de zin van art. 7 punt 2 EEX-Vo II. Volgens VEB luidt het antwoord op deze vraag bevestigend omdat de BP-aandeelhouders voor wie VEB optreedt zuiver financiële schade hebben geleden op een Nederlandse beleggingsrekening. De rechtbank en het hof hebben zich echter onbevoegd verklaard.

De Hoge Raad overweegt dat niet duidelijk is of er in deze zaak voldoende aanknopingspunten zijn om Nederland als het Erfolgsort te kwalificeren en zal daarom prejudiciële vragen voorleggen aan het HvJEU.

Dit arrest volgt op de arresten Kolassa (2015), Universal Music (2016) en Löber (2018) van het HvJEU die eveneens gaan over de vraag wat het Erfolgsort is bij zuiver financiële schade op een bank- of beleggingsrekening. Met de beantwoording van de prejudiciële vragen zal ten aanzien van dit onderwerp weer een nieuw stukje recht worden gecreëerd.

Internationale bevoegdheid bij een onrechtmatige daad op grond van de EEX-Vo II

In de onderhavige zaak zijn de vorderingen van VEB ingestoken als verbintenissen uit onrechtmatige daad als bedoeld in art. 7 punt 2 EEX-Vo II. Dit artikel bepaalt dat het gerecht bevoegd is van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen. Deze bevoegdheidsgrondslag geeft zowel rechtsmacht aan het gerecht van de plaats van de gebeurtenis die de oorzaak is van de schade (Handlungsort) als aan het gerecht van de plaats waar de schade is ingetreden (Erfolgsort).

Het Handlungsort is in deze zaak niet in Nederland gelegen (en leidt dus niet tot bevoegdheid van de Nederlandse rechter), omdat niet kan worden aangenomen dat het handelen of nalaten van BP heeft plaatsgevonden in Nederland. Resteert de vraag of Nederland wel als het Erfolgsort kan worden aangemerkt, zodat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter daarop kan worden gestoeld.

Kan Nederland in deze zaak worden aangemerkt als het Erfolgsort?


Standpunt VEB
Volgens VEB is dat het geval. VEB voert daartoe primair aan dat het rechtstreeks intreden van zuiver financiële schade op een Nederlandse beleggingsrekening een voldoende aanknopingspunt is voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter en dat daarnaast geen (andere) bijzondere of bijkomende omstandigheden nodig zijn. Subsidiair betoogt VEB dat er in deze zaak wel degelijk bijzondere of bijkomende omstandigheden aan de orde zijn die leiden tot de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op basis van het Erfolgsort. VEB noemt de omstandigheden dat:

  1. BP zich richt op een wereldwijd beleggingspubliek waaronder Nederlandse beleggers;
  2. VEB de belangen behartigt van een groot aantal beleggers met hun woonplaats veelal in Nederland;
  3. de schikking die BP in de VS heeft getroffen met andere aandeelhouders niet is aangeboden aan de beleggers van wie VEB de belangen behartigt en er in Europa geen andere procedures worden gevoerd; en
  4. een aantal beleggers voor wie VEB optreedt consument zijn, ten aanzien waarvan de EEX-Vo II bijzondere rechtsbescherming biedt.

VEB voert verder aan dat voor de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om de vorderingen van VEB te beoordelen en of sprake is van bijzondere of bijkomende omstandigheden, belang toekomt aan het feit dat in deze procedure een collectieve actie is ingesteld.

Standpunt BP
Onder verwijzing naar het Kolassa-arrest brengt BP hier tegen in dat zuiver financiële schade die rechtstreeks intreedt op een bankrekening van een in een lidstaat (hier Nederland) gevestigde bank, zonder bijkomende omstandigheden niet kan worden aangemerkt als een relevant aanknopingspunt voor bevoegdheid op grond van het Erfolgsort. Bij afwezigheid van bijkomende omstandigheden is de rechter van de plaats waar de bankrekening wordt gehouden dus niet bevoegd. Het collectieve karakter van deze procedure maakt het voorgaande niet anders, aldus BP.

De prejudiciële vragen van de Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad is er gerede twijfel mogelijk over de vraag of Nederland in deze zaak kwalificeert als het Erfolgsort. Redengevend hiervoor is dat er tussen deze zaak en de eerdere HvJ EU arresten Kolassa, Universal Music en Löber belangrijke verschillen bestaan (zie onder). De Hoge Raad wil daarom de volgende prejudiciële vragen voorleggen aan het HvJEU:

    1. (a) Dient art. 7 punt 2 EEX-Vo II aldus te worden uitgelegd dat het rechtstreeks intreden van zuiver financiële schade op een Nederlandse beleggingsrekening, welke schade het gevolg is van beleggingsbeslissingen genomen onder invloed van algemeen verspreide, maar onjuiste, onvolledige en misleidende informatie van een internationale beursgenoteerde onderneming, een voldoende aanknopingspunt oplevert voor internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter uit hoofde van de plaats van het intreden van de schade (Erfolgsort)?

      (b)
      Zo nee, zijn bijkomende omstandigheden vereist die rechtvaardigen dat de Nederlandse rechter bevoegd is en welke omstandigheden zijn dat? Zijn de bijkomende omstandigheden die hiervoor in alinea 8 zijn genoemd, voldoende voor bevoegdheid van de Nederlandse rechter?
    1. Luidt het antwoord op vraag 1 anders indien het gaat om een vordering die op de voet van art. 3:305a BW is ingesteld door een vereniging die tot doel heeft de collectieve belangen te behartigen van beleggers die schade hebben geleden als bedoeld in vraag 1, hetgeen onder meer meebrengt dat de woonplaatsen van de hiervoor bedoelde beleggers niet zijn vastgesteld, evenmin als de bijzondere omstandigheden van de individuele aankooptransacties?
    1. Indien de Nederlandse rechter bevoegd is om op basis van art. 7 punt 2 EEX-Vo II kennis te nemen van de vordering op de voet van art. 3:305a BW, is dan de aangezochte Nederlandse rechter (lees: de rechter in Amsterdam) ook bevoegd om vervolgens kennis te nemen van alle individuele schadevorderingen van de beleggers die schade hebben geleden als bedoeld in vraag 1?
    1. Indien vraag 3 ontkennend moet worden beantwoord, wordt dan de interne relatieve bevoegdheid bepaald op grond van de woonplaats van de gedupeerde belegger, de vestigingsplaats van de bank waar deze belegger zijn persoonlijke bankrekening aanhoudt of de vestigingsplaats van de bank waar de beleggingsrekening wordt aangehouden, dan wel een ander aanknopingspunt?

Achtergrond van de prejudiciële vragen

In verband met vraag 1 geeft de Hoge Raad eerst aan dat de Kolassa-zaak, de Löber-zaak en de onderhavige zaak met elkaar gemeen hebben dat in alle drie de gevallen sprake is van zuiver financiële schade die rechtstreeks is ingetreden op een bank- of beleggingsrekening, waarbij die zuiver financiële schade het gevolg is van een waardedaling van effecten die op die bank- of beleggingsrekening werden aangehouden en waarop de gedupeerden zelf geen invloed hadden. De Universal Music-zaak is op dit punt anders aangezien de benadeelde in die zaak wel invloed had op de daling van het tegoed op de bankrekening door zelf een betaling van die bankrekening te doen.

Het verschil tussen de Kolassa-zaak, de Löber-zaak en deze zaak is dat de vordering in deze zaak niet is gebaseerd op misleidende informatie in een in Nederland verspreid prospectus, maar op onvolledige en misleidende informatie die BP openbaar heeft gemaakt via persberichten, informatie op haar website en openbaar gedane uitlatingen van haar bestuurders, waarbij BP zich niet afzonderlijk of in het bijzonder heeft gericht tot Nederlandse beleggers.

In het eDate Advertising-arrest (2011), dat gaat over de aansprakelijkheid van beweerde schendingen van persoonlijkheidsrechten door op internet geplaatste content, heeft het HvJEU onder meer bevoegdheid toegekend aan de gerechten van elke lidstaat op het grondgebied waarvan op internet geplaatste content toegankelijk is of is geweest. Dat roept, aldus de Hoge Raad, de vraag op of er aanleiding is voor een vergelijkbare bevoegdheidsregel voor schadevergoedingsvorderingen van aandeelhouders als gevolg van onjuiste, onvolledige of misleidende informatie die openbaar is gemaakt door internationale beursgenoteerde ondernemingen.

Ten aanzien van vraag 2 merkt de Hoge Raad op dat het in deze zaak (anders dan in het Kolassa-arrest en het Löber-arrest) gaat om een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW, die aanleiding kan geven tot (extra) problemen bij het lokaliseren van het Erfolgsort. Dat komt omdat bij een collectieve actie wordt geabstraheerd van de individuele (bijzondere) omstandigheden van gedupeerden. Dat roept de vraag op of, en zo ja, hoe in dat geval bijkomende specifieke omstandigheden moeten worden vastgesteld. De Hoge Raad stelt in dit kader de vraag of de strenge regels die het HvJ EU uiteen heeft gezet voor het vaststellen van het Erfolgsort in een zaak over een waterstofperoxidekartel waarbij gedupeerden hun claims hadden gecedeerd aan een claim vehicle (CDC/Akzo Nobel (2015)), ook gelden voor de lokalisatie van het Erfolgsort in een collectieve actie, waarbij een cessie niet aan de orde is.

De vragen 3 en 4 hebben betrekking op de interne relatieve bevoegdheid. Op grond van art. 3:305a lid 3 BW kan VEB geen vordering op de voet van art. 3:305a BW instellen die strekt tot schadevergoeding te voldoen in geld. Aannemende dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van de door VEB ingestelde collectieve actie, kunnen de BP-aandeelhouders hun individuele schadevergoedingsvorderingen in een nieuwe procedure aanhangig maken. Dat roept de vraag op of dergelijke schadevergoedingsvorderingen aanhangig kunnen worden gemaakt bij de rechter die bevoegd was over de collectieve actie te oordelen (zie vraag 3). Die vraag kan relevant zijn als de woonplaats van de BP-aandeelhouder of de locatie in Nederland van zijn bank- en/of beleggingsrekening gelegen is buiten het rechtsgebied van de rechtbank Amsterdam.

Vraag 4 borduurt voort op vraag 3: indien de rechtbank Amsterdam niet bevoegd is kennis te nemen van de individuele schadevergoedingsvergoeding van de gedupeerde belegger, komt de vraag op door welke factor(en) de interne relatieve bevoegdheid dan wordt bepaald. De Hoge Raad vraagt zich af of de interne relatieve bevoegdheid in dat geval dient te worden vastgesteld aan de hand van de woonplaats van de gedupeerde belegger, de vestigingsplaats van de bank waar deze belegger zijn persoonlijke rekening aanhoudt, de vestigingsplaats van de bank waar de beleggingsrekening wordt aangehouden of een ander aanknopingspunt.

Het zal naar verwachting zeker nog een jaar duren voordat het HvJEU op  de prejudiciële vragen van de Hoge Raad antwoord geeft. Zodra er nieuws is over deze zaak, berichten wij hierover via onze website.