Intrekken vordering en eisvermindering tijdens de procedure: hoe zat het ook alweer?

Meer artikelen over:Cassatie
Paul Tanja
Paul Tanja Advocaat

HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:997

De intrekking van een vordering is volgens vaste rechtspraak in beginsel op te vatten als een vermindering van de eis (tot nihil), als bedoeld in artikel 129 Rv. Op grond van deze bepaling kan de eiser te allen tijde zijn eis verminderen, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen (of in hoger beroep: nog geen eindarrest).

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 22 juni 2012 heeft geoordeeld, kan in zaken met verplichte procesvertegenwoordiging een eisvermindering niet besloten liggen in een verklaring van een procespartij ter comparitie, maar dient die plaats te vinden bij conclusie of bij akte (HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5695, rov. 5). Een dergelijke akte kan ook daarin bestaan dat de advocaat ter comparitie mondeling akte verzoekt van een vermindering van eis, aldus de Hoge Raad in dat arrest.

De vraag is wat er gebeurt als de advocaat tijdens een zitting opmerkt dat een vordering wordt ingetrokken, zonder daarvan akte te vragen en verleend te krijgen. Die vraag kwam in de orde in een procedure tussen erven over een nagelaten woning en schuur. Daarbij deed zich bovendien voor dat de intrekking van een vordering volgde op een niet toegelaten, want te late wijziging van de eis (Hoge Raad 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:997). Het ogenschijnlijke gevolg hiervan was dat geen vorderingen resteerden. Of was dat te kort door de bocht?

Bonje over de erfenis

Vanaf 1984 huurt de eiser in cassatie een woning en de bijbehorende schuur van zijn vader. De vader overlijdt op 20 november 2003. Als na een kleine tien jaar later ook de moeder overlijdt, ontstaat tussen eiser en de andere erven discussie over wie de woning en de schuur toekomt en, in het bijzonder, of de eiser daarvan economisch eigenaar is geworden.

De eiser vordert in eerste aanleg in reconventie primair (a) een verklaring voor recht dat hij economisch eigenaar is geworden van de woning en de schuur en (b) veroordeling van een deel van de erven tot medewerking aan de levering van de woning en de schuur aan hem, en subsidiair (c) een verklaring voor recht dat hij – kort gezegd – een vordering heeft op de onverdeelde nalatenschap ter grootte van het door hem in de onroerende zaak geïnvesteerde bedrag van EUR 1.460.794. De rechtbank wijst deze reconventionele vorderingen af.

Een eiswijziging en eisvermindering ter zitting in hoger beroep

De eiser komt in hoger beroep en wijzigt zijn reconventionele primaire eis in de memorie van grieven, met behoud van de gevorderde verklaring voor recht. Ter gelegenheid van de pleidooien wijzigt eiser zijn vordering andermaal, waartegen verweerders bezwaar maken. Op basis van de tweeconclusie-regel kon de eiser in hoger beroep zijn eis in beginsel voor het laatst wijzigen bij memorie van grieven. Het hof constateert tevens dat de advocaat van eiser ter zitting de overige vorderingen heeft ingetrokken en de nieuwe subsidiaire vordering (“iedere beslissing te nemen die het hof juist voorkomt”) te onbepaald is om recht op te doen.

Deze combinatie van factoren doet de eiser bij het hof de das om. Het hof constateert dat de eiswijziging van eiser bij pleidooi, waarmee de verweerders niet hadden ingestemd, inderdaad in strijd komt met de tweeconclusie-regel en daarom – huiselijk gezegd – te laat was. Door de intrekking van de overige vorderingen komt het hof tot de slotsom dat van de eiser geen vorderingen resteren die voor beoordeling in aanmerking komen.

De Hoge Raad vernietigt: geen eisvermindering en geen afstand van recht

Volgens de Hoge Raad gaat het hof daarmee te kort door de bocht. Zoals hiervoor opgemerkt, moet de intrekking van een vordering – als eisvermindering – plaatsvinden bij akte of conclusie. Het hof heeft niet vastgesteld dat de advocaat van eiser bij conclusie of schriftelijke akte de eis heeft verminderd of ter terechtzitting mondeling een akteverzoek van die strekking heeft gedaan. Het blijkt evenmin uit het proces-verbaal van de terechtzitting. Daarop vernietigt de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de eiser zijn vorderingen had ingetrokken.

…en ook geen afstand van recht

Hierop voortbouwend kan de Hoge Raad zich evenmin verenigen met het oordeel van het hof dat, als gevolg van het niet toestaan van de eiswijziging bij pleidooi in combinatie met de zogenaamde intrekking van de overige vorderingen, de eiser geen vorderingen meer resteerden die het hof hoefde te beoordelen. Dit oordeel komt volgens de Hoge Raad erop neer dat de bedoelde intrekking van de vorderingen een afstand van recht door eiser zou inhouden. Maar voor afstand van recht geldt de eis dat sprake moet zijn van een verklaring die daadwerkelijk “op de aan afstand van recht verbonden rechtsgevolgen is gericht”.

Daarbij mag volgens de Hoge Raad in het algemeen worden aangenomen dat een eisende partij die haar eis wijzigt, niet wenst dat in het geheel geen eis resteert in het geval de eiswijziging niet wordt toegelaten. De opmerking van de advocaat ter zitting “het gaat alleen om de vordering die in de pleitnota is genoemd. De overige zijn ingetrokken.”  Was dan ook ontoereikend om tot afstand van recht te leiden. Het hof had zich ervan moeten vergewissen of deze intrekking ook was bedoeld voor het geval het verzet van verweerders tegen de eiswijziging zou worden gehonoreerd.

Met deze overwegingen geeft de Hoge Raad een nuttige handleiding voor wanneer de verklaringen van een advocaat ter zitting, die strekken tot eisvermindering, daadwerkelijk tot de intrekking van een vordering kunnen leiden en wanneer niet. Kort gezegd gaat het erom:

  • In zaken met verplichte procesvertegenwoordiging kan een eisvermindering niet besloten liggen in een enkele verklaring van een procespartij ter comparitie, maar dient die plaats te vinden bij conclusie of bij akte. Een dergelijke akte kan ook daarin bestaan dat de advocaat ter comparitie mondeling akte verzoekt van een vermindering van eis;
  • Als de intrekking van een vordering afstand van recht tot gevolg zou hebben, geldt de eis dat sprake moet zijn van een verklaring die op de aan afstand van recht verbonden rechtsgevolgen is gericht. Daarbij mag volgens de Hoge Raad in het algemeen worden aangenomen dat een eisende partij die haar eis wijzigt, niet wenst dat in het geheel geen eis resteert in het geval de eiswijziging niet wordt toegelaten.

Joost Luiten en Rogier Duk stonden de eiser bij in de cassatieprocedure.