Hoge Raad verduidelijkt klantenvergoeding bij einde agentuurovereenkomst

Joost Luiten
Joost Luiten Advocaat

Artikel 7:442 BW  geeft de handelsagent onder bepaalde voorwaarden recht op een klantenvergoeding wanneer de agentuurovereenkomst eindigt. Met deze vergoeding wordt de handelsagent gecompenseerd voor het feit dat de principaal de door de handelsagent tot stand gebrachte of geïntensiveerde klantrelaties na beëindiging van de agentuurovereenkomst kan blijven gebruiken (goodwill) zonder daarover provisie aan de handelsagent verschuldigd te zijn. In dit arrest (ECLI:NL:HR:2017:935) verduidelijkt de Hoge Raad het onderscheid tussen de wijze waarop de verschuldigdheid van een klantenvergoeding moet worden vastgesteld en de wijze waarop de hoogte van die vergoeding moet worden bepaald.

Drie fasen vaststelling klantenvergoeding

Corendon is een reisorganisator die haar reizen onder meer aanbiedt via handelsagenten. Prijsvrij, eiseres in cassatie, was één van deze agenten. Toen Corendon de agentuurovereenkomst in 2013 wenste te beëindigen, startte Prijsvrij een procedure waarin zij onder meer betaling van een omvangrijke klantenvergoeding op de voet van artikel 7:442 BW vorderde.

Deze vordering werd in eerste aanleg toegewezen, maar het Gerechtshof Amsterdam wees deze af. Het Hof verwees daarbij naar een arrest van de Hoge Raad uit 2012, T-Mobile/[A] (ECLI:NL:HR:2012:BW9865), dat weer gebaseerd was op een arrest van het Europese Hof van Justitie. In het T-Mobile arrest oordeelde de Hoge Raad dat de vaststelling van de klantenvergoeding in drie fasen verloopt. In de eerste fase moeten de voordelen die de principaal ontleent aan de door de handelsagent aangebrachte of geïntensiveerde klantrelaties worden gekwantificeerd. Vervolgens wordt in de tweede fase beoordeeld of er reden bestaat dit bedrag nog aan te passen met het oog op de billijkheid en alle omstandigheden van het geval, met name de door de handelsagent gederfde provisie. In de derde fase wordt getoetst of het resulterende bedrag het maximum van artikel 7:442 lid 2 BW niet te boven gaat. Dit maximumbedrag is gelijk aan de beloning van de handelsagent voor één jaar, gebaseerd op een gemiddelde van de laatste vijf jaren.

Voordeel uit nieuwe of geïntensiveerde klantrelaties?

In de ogen van het Hof had Prijsvrij in deze zaak onvoldoende aanknopingspunten geboden om te kunnen vaststellen dat Corendon na het eindigen van de agentuurovereenkomst nog enig voordeel kon ontlenen aan de door Prijsvrij aangebrachte of geïntensiveerde klantrelaties. Prijsvrij had weliswaar gesteld dat ongeveer een kwart van haar klanten herhaald boekingen uitvoert, maar zij had daarbij geen inzicht gegeven in de mate waarin die reizigers ook opnieuw kiezen voor dezelfde touroperator (in dit geval Corendon). Corendon had op haar beurt aangevoerd dat de markt waarop zij diensten verricht vooral prijsafhankelijk is: klanten zouden zich bij hun keuze voor een volgende reis niet laten leiden door eerdere ervaringen met een reisorganisator, maar slechts door hun portemonnee. Verder had Prijsvrij aan Corendon geen klantenbestand met adresgegevens verschaft waarvan Corendon eventueel nog gebruik had kunnen maken voor marketingacties. De vordering van Prijsvrij strandt daarmee in de eerste van de drie fasen die de Hoge Raad in het arrest T-Mobile heeft onderscheiden (de kwantificering van het voordeel), aldus het Hof.

Stelplicht handelsagent

Dit oordeel wordt door de Hoge Raad niet geheel zuiver op de graad bevonden, en als zodanig gecorrigeerd. Het Hof heeft namelijk, aldus de Hoge Raad, ten onrechte een stap overgeslagen door gelijk over te gaan tot de kwantificering van de omvang van de klantenvergoeding. Het Hof had eerst moeten vaststellen of een recht op een klantenvergoeding überhaupt bestond aan de hand van artikel 7:442 lid 1 BW.

Om in aanmerking te komen voor een klantenvergoeding moet de handelsagent allereerst aannemelijk maken: (i) dat hij klanten bij de principaal heeft aangebracht, of overeenkomsten met bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en (ii) dat de overeenkomsten met deze klanten de principaal na het einde van de agentuurovereenkomst nog aanzienlijke voordelen zullen opleveren. In het door het Hof aangehaalde arrest T-Mobile was gegeven dat aan deze voorwaarden was voldaan, maar in de onderhavige zaak niet. Het Hof had dus eerst aan deze voorwaarden moeten toetsen en pas daarna moeten overgaan tot de vaststelling van de (omvang van de) klantenvergoeding aan de hand van de drie fasen uit T-Mobile, aldus de Hoge Raad.

Deze subtiele correctie van de Hoge Raad kan Prijsvrij echter niet baten. Het Hof had zijn overwegingen dan wel niet in de juiste sleutel geplaatst door gelijk over te gaan tot de kwantificering van de klantenvergoeding, maar uit zijn eerdere overwegingen volgt evengoed dat Prijsvrij überhaupt geen recht op een klantenvergoeding had, omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Corendon nog aanzienlijke voordelen kon verwachten van de nieuwe of geïntensiveerde klantrelaties.