Hoge Raad verduidelijkt beperkte strekking artikel 3:301 lid 2 BW

Meer artikelen over:Cassatie

ECLI:NL:HR:2020:538

Registergoederen worden in beginsel geleverd op grond van inschrijving van een notariële akte in de openbare registers. De rechter kan echter bepalen dat zijn uitspraak in plaats van (een deel van) de akte treedt, bijvoorbeeld als een van de partijen weigert mee te werken aan de levering. In dat geval treedt de uitspraak in de registers en vervangt deze uitspraak de notariële akte. Op grond van artikel 3:301 lid 2 BW moet de partij die tegen deze uitspraak een rechtsmiddel aanwendt, dit binnen acht dagen inschrijven in het rechtsmiddelenregister, op straffe van niet-ontvankelijkheid. Dit is van belang voor de rechtszekerheid: derden moeten erop kunnen vertrouwen dat de informatie in de openbare registers klopt.

In de praktijk werd deze bepaling nogal eens over het hoofd gezien en was er bovendien onduidelijkheid over de precieze reikwijdte van de bepaling. Recentelijk heeft de Hoge Raad hierin duidelijkheid verschaft en geoordeeld dat de reikwijdte van artikel 3:301 lid 2 BW beperkt is: een partij is alleen gebonden het rechtsmiddel in te schrijven als de bestreden uitspraak op het moment dat het rechtsmiddel wordt ingesteld, in de plaats van de akte van levering is getreden of nog kan treden en de betrouwbaarheid van de openbare registers dus daadwerkelijk in gevaar kan komen.

Wat speelde er?

VM Vastgoed en de eiser in cassatie hebben een overeenkomst gesloten die onder meer inhoudt dat eiser een woning levert aan VM Vastgoed. De eiser heeft hieraan geen gehoor gegeven en wordt door VM Vastgoed gedagvaard voor de rechtbank. Hier vordert VM Vastgoed dat de eiser wordt veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de levering van de woning aan VM Vastgoed.

 De rechtbank heeft de vordering van VM Vastgoed toegewezen en geoordeeld dat de eiser na betekening van het vonnis zijn medewerking moet verlenen aan de overdracht en levering van de woning. De rechtbank oordeelt tevens dat wanneer de eiser hierbij in gebreke blijft, het vonnis van de rechtbank in de plaats treedt van zijn bij akte van levering vereiste wilsverklaring en handtekening, op de voet van artikel 3:300 BW.

De eiser heeft vervolgens voldaan aan deze veroordeling door zijn medewerking te verlenen aan het opmaken van de leveringsakte en is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van de rechtbank. Het hoger beroep heeft de eiser niet ingeschreven in het rechtsmiddelenregister.

In hoger beroep is de eiser niet-ontvankelijk verklaard. Het hof oordeelde dat, hoewel het vonnis niet is ingeschreven in de openbare registers en de eiser medewerking heeft verleend aan de levering van de woning, dit niet betekent dat artikel 3:301 lid 2 BW niet van toepassing is. Volgens het hof had de eiser het hoger beroep dus wel moet inschrijven in het rechtsmiddelenregister.

 Hoge Raad

 In cassatie gaat het om de vraag wat nu de reikwijdte van artikel 3:301 lid 2 BW is. De eiser stelt zich op het standpunt dat nu de woning is geleverd op grond van de notariële akte en die akte in de openbare registers is ingeschreven, hij daardoor voldaan heeft aan de veroordeling van de rechtbank. Hierdoor is het vonnis nooit in de plaats van de leveringsakte getreden en heeft het ook niet deel uitgemaakt van diHoge Raad verduidelijkt beperkte strekking artikel 3:301 lid 2 BWe akte. De bepaling is volgens hem dan ook niet van toepassing omdat de betrouwbaarheid van de openbare registers niet in gevaar is geweest.

Advocaat-Generaal (hierna: A-G) Wesseling-van Gent merkt in haar conclusie op dat deze vraag over de reikwijdte ziet op een dilemma tussen enerzijds de rechtszekerheid ten aanzien van registergoederen en anderzijds de beperkte strekking van de bepaling. Legt men de nadruk op de rechtszekerheid, dan heeft dit invloed op de toepasselijkheid van de bepaling op gevallen die niet door de wettekst worden bestreken. Men is dan eerder geneigd te oordelen dat artikel 3:301 lid 2 BW van toepassing is. Legt men daarentegen de nadruk op de beperkte strekking, dan doet dit afbreuk aan de eveneens beoogde rechtszekerheid en betrouwbaarheid van de openbare registers. Na wikken en wegen komt de A-G tot de conclusie dat de rechtszekerheid doorslaggevend is: het cassatieberoep moet worden verworpen.

De Hoge Raad volgt de conclusie van Wesseling-van Gent dit keer echter niet en vernietigt het arrest van het hof. Hierbij erkent de Hoge Raad niettemin het belang van de bepaling voor de rechtszekerheid ten aanzien van registergoederen: het doel van artikel 3:301 lid 2 BW is volgens de Hoge Raad dat bij inschrijving in de openbare registers van een uitspraak die in de plaats treedt van (een deel van) een leveringsakte, zoveel mogelijk buiten twijfel wordt gesteld dat op het tijdstip waarop de beroepstermijn verstreek, geen rechtsmiddel is ingesteld.

De Hoge Raad oordeelt voorts dat artikel 3:301 lid 2 BW alléén van toepassing is voor gevallen waarin de bestreden uitspraak, op het moment dat het rechtsmiddel wordt ingesteld, daadwerkelijk in de plaats van (een deel van) de leveringsakte is getreden of nog kan treden. De bepaling heeft dus een beperkte strekking. Mede vanwege de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid, is er volgens de Hoge Raad geen reden om het toepassingsbereik van artikel 3:301 lid 2 BW uit te breiden. De bepaling is dan ook niet van toepassing indien op het moment waarop het rechtsmiddel wordt aangewend, vaststaat dat de uitspraak niet ter vervanging van (een deel van) leveringsakte in de openbare registers is ingeschreven of nog kan worden ingeschreven.

Advocaten Jan-Paul Heering en Hugo Kolstee stonden eiser bij in cassatie.