Hoge Raad synchroniseert aanvangsmoment korte verjaringstermijn met klachtplicht

Meer artikelen over:Cassatie
Hugo Boom
Hugo Boom Advocaat

Bij arrest van 9 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1603) nuanceert de Hoge Raad zijn eerdere rechtspraak over de bepaling van het aanvangsmoment van de 5-jarige verjaringstermijn voor schadevergoedingsvorderingen (op grond van artikel 3:310 lid 1 BW).  

De Hoge Raad overweegt dat daarvoor onder omstandigheden van belang is dat de benadeelde juridisch advies heeft ingewonnen of bekend is met een rechterlijk oordeel ten aanzien van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de aansprakelijke persoon. Die regel ontleent de Hoge Raad aan zijn rechtspraak over de aanvang van de klachttermijn met betrekking tot ondeugdelijke prestaties op grond van artikel 6:89 BW (zie HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600 (Van de Steeg/Rabobank). Eerder bestond in dit opzicht verschil tussen beide regelingen.

Aanvang 5-jarige verjaringstermijn bij schadevergoeding

Over de bepaling van het aanvangsmoment van de 5-jarige verjaringstermijn bij schadevergoeding bestaat een lange reeks rechtspraak van de Hoge Raad. De Hoge Raad benadrukt daarin dat de 5-jarige verjaringstermijn pas aanvangt zodra de benadeelde daadwerkelijk in staat is om een rechtsvordering in te stellen. Dat betekent dat sprake moet zijn van subjectieve bekendheid van de benadeelde met zowel zijn schade als de daarvoor aansprakelijke persoon.

Eerder: juridische beoordeling van de feiten niet relevant

In deze vaste rechtspraak benadrukte de Hoge Raad echter ook ongeclausuleerd dat voor die ‘daadwerkelijke’ bekendheid niet relevant is in hoeverre de benadeelde bekend is met of zekerheid heeft over de juridische beoordeling van feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade of de aansprakelijke persoon (zie bijvoorbeeld HR 24 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:677, rov. 3.3.3 en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552, rov. 3.3.2).

Verschil met klachtplicht (artikel 6:89 BW)

In dit opzicht verschilde de rechtspraak van de Hoge Raad over de 5-jarige verjaringstermijn met zijn rechtspraak over de klachtplicht op grond van artikel 6:89 BW. Artikel 6:89 BW bepaalt dat de schuldeiser binnen bekwame tijd na ontdekking van een gebrek in de door de wederpartij verrichte contractuele prestatie moet klagen. Doet hij dat niet, dan is hij zijn claim kwijt. Deze regeling vertoont verwantschap met verjaring. Het verbaast dan ook niet dat de criteria voor bepaling van het aanvangsmoment van de klachttermijn gelijkenis vertonen met die voor de 5-jarige verjaringstermijn.

Anders dan in zijn verjaringsrechtspraak, heeft de Hoge Raad voor de klachtplicht bij beleggingsadvies in de zogeheten ‘februari-arresten’ (drie arresten gewezen op 8 februari 2013, te weten ECLI:NL:HR:2013:BY4600 (Van de Steeg/Rabobank), ECLI:NL:HR:2013:BX7864 (Van Lanschot/Grove) en ECLI:NL:HR:2013:BX7195 (Kramer/Van Lanschot) uitgemaakt dat de klachttermijn pas kan aanvangen als de schuldeiser bekend is met het bestaan van de (juridische) zorgplicht van de adviseur. Bovendien moet de schuldeiser aanleiding hebben om te veronderstellen dat die zorgplicht is geschonden. In deze rechtspraak ligt besloten dat in zulke gevallen bekendheid moet bestaan met de juridische kwalificatie van het handelen van de schuldenaar.

Nu: verjaringsrechtspraak in overeenstemming met rechtspraak over klachtplicht

In zijn arrest van 9 oktober 2020 brengt de Hoge Raad zijn verjaringsrechtspraak in overeenstemming met zijn rechtspraak over de klachtplicht. Hij overweegt dat de term ‘juridische beoordeling’ uit zijn eerdere arresten niet ziet op de kennis en het inzicht die nodig zijn om de deugdelijkheid van de prestatie te beoordelen. Het ontbreken van die kennis kan meebrengen dat onvoldoende zekerheid bestaat dat schade is geleden door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij het handelen van fiscaal of juridisch dienstverleners.

Bovendien kan daarbij van belang zijn, aldus de Hoge Raad, dat de schuldenaar andere, niet in haar risicosfeer liggende, oorzaken voor het opgetreden nadeel heeft genoemd of geruststellende mededelingen heeft gedaan over de door haar verrichte prestatie of het daardoor te verwachten nadeel. Ook die overweging komt overeen met de overwegingen van de Hoge Raad in zijn februari-arresten. Onder omstandigheden kan het dan ook zo zijn, aldus de Hoge Raad, dat de schuldeiser pas voldoende kennis heeft als hij een juridisch advies of een rechterlijk oordeel heeft gekregen.

Kort commentaar

Het valt wat mij betreft toe te juichen dat de Hoge Raad zijn verjaringsrechtspraak op deze wijze synchroniseert met zijn rechtspraak over de klachtplicht. Bij complexere prestaties is voor bijvoorbeeld particulieren op grond van het feitelijke gebeuren niet altijd goed te beoordelen in hoeverre sprake is van handelen waarvoor de wederpartij aansprakelijk kan worden gehouden.

Wat opvalt, is dat de Hoge Raad zijn overwegingen toespitst op gebrekkige prestaties. Dat past op zich bij het voorliggende geval, waar het ging om een contractuele verplichting van een belastingadviseur. De 5-jarige verjaringstermijn is evenwel ook van toepassing op schadevergoedingsvorderingen op grond van onrechtmatige daad. De Hoge Raad wijdt geen overweging aan de vraag of de door hem gemaakte nuancering ook daarop van toepassing kan zijn. Het zou mij logisch lijken dat dat wel zo is. Ook bij dat soort vorderingen kan immers sprake zijn van complexe feiten die voor een ‘leek’ pas in termen van aansprakelijkheid geduid kunnen worden na enige juridische inkadering door een deskundige partij (zoals een jurist of zelfs een rechter).