Hoge Raad gaat niet mee met trend om immuniteit te doorbreken

Soms is een uitspraak interessant door wat er niet in staat. In zijn arrest van 20 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:687) verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep van een oud-werkneemster tegen de internationale organisatie Iran-US Claims Tribunal (“het Tribunaal”). De Hoge Raad bevestigde daarmee de immuniteit van jurisdictie van het Tribunaal zoals in het hoger beroep door het Hof Den Haag gehonoreerd. Schrijver dezes stond het Tribunaal bij in cassatie. Opvallend is dat de Hoge Raad zijn beslissing nam met gebruikmaking van art. 81 lid 1 RO. Het is voor zover mij bekend voor het eerst dat de Hoge Raad deze verkorte motivering hanteert in een dergelijke immuniteitszaak.

De zaak ging kort gezegd over een ‘locally recruited’ secretaresse, die 27 jaar (tussen 1983 en 2010) voor het Tribunaal had gewerkt, laatstelijk in de functie van secretaresse van de President van het Tribunaal. Zij kwam op tegen het besluit van het Tribunaal om haar arbeidsovereenkomst niet te verlengen (zoals niet ongebruikelijk is bij internationale organisaties, werkt het Tribunaal met jaarcontracten). De klaagster wendde zich aanvankelijk tot de Secretaris-Generaal van het Tribunaal om te klagen over het genomen besluit, en verzocht daarbij om een rechtsgang bij een externe (‘independent’) rechterlijke instantie. De Secretaris-Generaal antwoordde dat het Tribunaal een dergelijke instantie niet erkent. Vervolgens wendde klaagster zich tot de Nederlandse rechter, stellende dat de immuniteit van jurisdictie van het Tribunaal hier moest wijken omdat haar geen alternatieve rechtsgang ter beschikking stond voor de beslechting van haar geschil. Het Tribunaal beriep zich voor alle weren op zijn immuniteit.In de Nederlandse feitenrechtspraak is de laatste jaren een sterke tendens waarneembaar om internationale organisaties zich verregaand te laten verantwoorden voor hun (door de Staat toegekende) immuniteit van jurisdictie bij de Nederlandse rechter. Vaak spitst het debat zich daarbij toe op de vraag of de klager een adequate (alternatieve) rechtsgang ter beschikking staat, hetgeen sommige Nederlandse rechters ertoe heeft gebracht om hun oordeel over de ‘toereikendheid’ van die rechtsgang als voorwaarde voor immuniteit te hanteren en om, aan de hand van hun waardering van de feiten en omstandigheden van het concrete geval in verband met de toegang tot de rechter, te bepalen of zij de immuniteit al dan niet wensen te respecteren. Het levert merkwaardige situaties op, waarbij de immuniteit van jurisdictie van de betreffende organisatie, van geval tot geval, en van instantie tot instantie, nu eens niet en dan weer wel zou gelden in Nederland. Zo ook hier.

Al sinds de zaak van de tolk/vertaler Ary Spaans, die in Nederland eindigde met HR 20 december 1985, NJ 1986/438, is bekend dat het Tribunaal in Nederland immuniteit toekomt en dat het een eigen rechtsgang kent voor geschillen met (oud-) werknemers. Hierbij treden ‘Tribunal judges’ op als ambtenarenrechter. Op grond van de op de arbeidsrelatie toepasselijke regels (Staff Rules) stond ook klaagster in de onderhavige zaak die rechtsgang ter beschikking. Toch oordeelde de Haagse kantonrechter in eerste aanleg dat hij bevoegd was om van het geschil kennis te nemen, omdat de immuniteit ‘doorbroken’ moest worden op grond van de gedachte dat het Tribunaal, in strijd met het recht op toegang tot de rechter van art. 6 EVRM, die toegang niet concreet had mogelijk gemaakt voor de klaagster; de Secretaris-Generaal van het Tribunaal had in reactie op haar klacht over het niet-verlengen van haar arbeidsovereenkomst, klaagster immers niet gewezen op de interne rechtsgang bij het Tribunaal dan wel haar klacht ‘spontaan’ voorgelegd aan de Tribunal judges. De kantonrechter stelde hoger beroep open van zijn incidentele vonnis.

In hoger beroep spitste de zaak zich toe op de vraag of de zaak van klaagster zich wel ervoor leende om aan het Tribunaal te worden voorgelegd, nu klaagster zich erop beriep dat Nederlands arbeidsrecht eveneens op haar arbeidsovereenkomst van toepassing was. Het Hof Den Haag oordeelde dat een dergelijke vraag ook aan het Tribunaal kan worden voorgelegd, nu de beantwoording daarvan is te beschouwen als een uitleg van de Staff Rules, terwijl vaststond dat de Staff Rules aan (oud-) werknemers het recht geven vragen van uitleg voor te leggen aan het Tribunaal. Dat de beschikbare rechtsgang adequaat was had klaagster, aldus het Hof, niet gemotiveerd betwist. Het Hof oordeelde voorts dat ook de secretariële werkzaamheden van klaagster noodzakelijk waren voor de vervulling van de taken van het Tribunaal, en dat het gegeven dat klaagster haar werkzaamheden niet langer uitvoerde, ongeacht de achterliggende reden van het arbeidsgeschil, niet ertoe kan leiden dat het arbeidsgeschil daardoor buiten de “scope” van de taken van het Tribunaal noch buiten zijn immuniteit wordt gebracht.

Dat de zaak bij de Hoge Raad sneuvelde met art. 81 RO is goed te verklaren omdat de in cassatie bestreden oordelen van het Hof grotendeels waren verweven met waarderingen van feitelijke aard en geen nieuwe inzichten of gezichtspunten van de rechter vroegen in verhouding tot eerdere rechtspraak van de Hoge Raad over de immuniteit van jurisdictie van het Tribunaal en andere internationale organisaties (vgl. HR 20 december 1985 voornoemd, en HR 23 oktober 2009, NJ 2009/572). Bovendien is de ‘geruisloze’ afdoening van de zaak door de Hoge Raad mogelijk een belangrijk signaal voor internationale organisaties in Nederland, dat de Hoge Raad geen boodschap heeft aan de recente trend in de lagere rechtspraak om de immuniteitsregel zelf ter discussie te stellen en wegen te zoeken om immuniteit in het concrete geval te ‘doorbreken’.

Door de verwerping van het principale cassatieberoep in de zaak kwam de Hoge Raad niet toe aan het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieberoep. Daarin stelde het Tribunaal onder meer aan de orde hoe de Nederlandse rechter het in zijn macht kan hebben om van geval tot geval te bepalen of hij de immuniteit van een internationale organisatie (al dan) niet wenst te respecteren en zo zichzelf bevoegd te maken, terwijl de immuniteit van jurisdictie nu juist de internationale organisatie “ongehinderd door eenzijdige beïnvloeding” beoogt te beschermen tegen diezelfde nationale rechter. Aan deze kwestie zal de Hoge Raad in de toekomst nog wel eens kunnen toekomen.