Het rechtsmiddelenregister: een recent Hoge Raad-arrest en enkele praktijktips

In zijn recente arrest van 15 juli 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1108) besteedt de Hoge Raad aandacht aan de beperkte strekking van artikel 3:301 lid 2 BW. Dat artikel bevat de verplichting om een rechtsmiddel binnen acht dagen na het instellen daarvan in te schrijven in het rechtsmiddelenregister, als in de bestreden uitspraak is bepaald dat deze in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte. In zijn recente uitspraak maakt de Hoge Raad duidelijk dat de rechter ambtshalve moet beoordelen of artikel 3:301 lid 2 BW van toepassing is. In deze blog bespreek ik deze uitspraak en geef ik enkele praktijktips voor de omgang met dit netelige vereiste.

Het rechtsmiddelenregister

Het is misschien wel de grootste (spreekwoordelijke) bananenschil van het burgerlijk procesrecht: de inschrijvingsplicht in het rechtsmiddelenregister. De regeling van artikel 3:300, 3:301 BW en artikel 433 Rv beoogt de rechtszekerheid te dienen. Het rechtsmiddelenregister heeft als doel inzicht te bieden in de vraag of een rechtsmiddel is ingesteld tegen een gerechtelijke uitspraak die in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte (of deel van die akte). De sanctie op het laten verlopen van de inschrijvingstermijn van slechts acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel is buitengewoon streng: niet-ontvankelijkheid. Dat betekent dat de rechter ambtshalve moet toetsen of tijdig aan deze inschrijvingsplicht is voldaan.

De regeling wordt in de praktijk geregeld over het hoofd gezien, waarna netelige ontvankelijkheidsdiscussies kunnen ontstaan. De ervaring leert bovendien dat dit ‘register’ bij de verschillende gerechten niet veel meer lijkt in te houden dan een eenvoudig digitaal bestand dat wordt beheerd door de betreffende griffie. In een iets verder verleden betrof het zelfs een eenvoudige multomap of schrift dat zich fysiek op de griffie bevond. Kortom, de rechtszekerheidswinst van deze regeling lijkt beperkt wanneer de geringe mate van transparantie dat van het register uitgaat, zoals hiervoor geschetst, wordt afgezet tegen de verwarring die over de inschrijvingsplicht kan ontstaan in een civiele procedure.

De Hoge Raad legt de reikwijdte van de inschrijvingsplicht in zijn rechtspraak gelet op de verstrekkende sanctie ervan steevast beperkt uit. Volgens de Hoge Raad is er geen aanleiding het toepassingsbereik van de regeling uit te breiden tot gevallen die niet door de tekst van met name artikel 3:301 lid 2 BW worden bestreken. Daarom moet worden aangenomen dat slechts een inschrijvingsplicht geldt voor gevallen waarin de bestreden uitspraak op het moment dat het rechtsmiddel wordt ingesteld daadwerkelijk in de plaats treedt van de leveringsakte of dat nog werkelijk kan doen (zie HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538 en ons eerdere blog ‘Hoge Raad verduidelijkt beperkte strekking artikel 3:301 lid 2 BW’.

HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1108

De casus die aan dit arrest ten grondslag ligt is als volgt. ABC en ATI sluiten in 2008 een overeenkomst, op basis waarvan ABC zich verbindt om EUR 3.000.000 te investeren in ATI nadat ATI een racesimulator heeft ontwikkeld. ABC betaalt een klein gedeelte van het beoogde investeringsbedrag en krijgt bovendien een aantal onroerende zaken van ATI geleverd ter delging van bepaalde schulden. Later levert ATI deze onroerende zaken weer terug aan ABC op basis van een koopovereenkomst van 6 februari 2012.

In de procedure bij de rechtbank vordert ABC vernietiging van de investeringsovereenkomst. ATI vordert in reconventie opheffing van een aantal door ABC gelegde beslagen en teruglevering van enkele onroerende zaken. De rechtbank wijst alleen de vorderingen van ATI (deels) toe. De rechtbank veroordeelt ABC tot teruglevering van een drietal onroerende zaken binnen een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De rechtbank neemt daarbij in het dictum van zijn uitspraak op dat indien teruglevering niet binnen deze termijn plaatsvindt, het vonnis in de plaats treedt van de toestemming en de handtekening van ABC, en dat de notaris op basis van het vonnis vervolgens de onroerende zaken aan ATI kan overdragen.

ABC stelt hoger beroep in. ATI beroept zich bij incidentele vordering op de niet-ontvankelijkheid van ABC, omdat ABC zou hebben verzuimd het hoger beroep in te schrijven in het rechtsmiddelenregister. Het hof verwerpt dat betoog, omdat artikel 3:301 BW in dit geval niet van toepassing is. Het hof overweegt daartoe dat de rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is geweest van onbevoegde vertegenwoordiging van ATI bij het sluiten van de koopovereenkomst van 6 februari 2012. Daarom moet de koopovereenkomst volgens het hof geacht worden nooit geldig te zijn geweest, zodat achteraf gezien de betreffende onroerende zaken niet aan ABC zijn overgedragen vanwege een titelgebrek. De eigendom daarvan is dus bij ATI gebleven, zodat de veroordeling tot teruglevering in het vonnis niet kan worden aangemerkt als een uitspraak die in de plaats treedt van een tot levering bestemde akte of een gedeelte daarvan.

Aldus doet zich de enigszins curieuze situatie voor waarin de rechtbank haar dictum formuleert alsof haar uitspraak in de plaats kan treden van een tot levering van de betreffende onroerende zaken bestemde akte. Uit de inhoudelijke overwegingen van de rechtbank lijkt daarentegen af te leiden dat geen (notariële) leveringshandeling nodig is, omdat de eigendom van de betreffende onroerende zaken achteraf altijd bij ATI is gebleven. Voor het hof is dat laatste doorslaggevend.

ATI klaagt in cassatie dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat de rechtbank in het dictum van zijn vonnis een veroordeling als bedoeld in artikel 3:301 lid 1 BW heeft uitgesproken, zodat de inschrijvingsplicht ex artikel 3:301 lid 2 geldt. Bovendien klaagt ABC in cassatie dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, omdat ABC een de door het hof gevolgde uitleg van het vonnis niet aan haar verweer tegen het niet-ontvankelijkheidsberoep van ATI ten grondslag heeft gelegd.

De Hoge Raad verwerpt die cassatieklachten. Na een samenvatting van zijn vaste rechtspraak over de beperkte strekking van artikel 3:301 lid 2 BW, overweegt hij dat het oordeel van het hof erop neerkomt dat uit het vonnis van de rechtbank zelf blijkt dat dit niet in de plaats van (een deel van) de leveringsakte kan treden. Op basis daarvan heeft het hof volgens de Hoge Raad terecht geoordeeld dat in dit geval artikel 3:301 lid 2 BW niet van toepassing is. De Hoge Raad overweegt in dat verband dat de verplichting om ambtshalve te beoordelen of aan het voorschrift van artikel 3:301 lid 2 BW is voldaan, de verplichting omvat om te toetsen of artikel 3:301 lid 2 BW van toepassing is. Om die reden kon het hof bij zijn beoordeling acht slaan op omstandigheden die hem uit het vonnis van de rechtbank zijn gebleken, ongeacht de vraag of ABC deze omstandigheden ten grondslag hebben gelegd aan hun verweer tegen de incidentele vordering tot niet-ontvankelijkverklaring van ATI. Het hof is dus ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, aldus de Hoge Raad.

Commentaar en tips

Deze uitkomst is naar mijn mening logisch: waar de rechter ambtshalve moet toetsen of aan het voorschrift van artikel 3:301 lid 2 BW is voldaan, past het om eveneens ambtshalve te beoordelen of de voorliggende casus onder het toepassingsbereik van artikel 3:301 lid 2 BW valt.

Dat daarbij verder moet worden gekeken dan alleen het dictum van de bestreden uitspraak, is in mijn ogen al net zo voor de hand liggend. In het algemeen volgt uit rechtspraak van de Hoge Raad namelijk dat het dictum moet worden uitgelegd met inachtneming van de rechtsoverwegingen waarop dat dictum berust. Dat is volgens mij niet anders voor de vraag of uit het dictum kan worden afgeleid dat de betreffende uitspraak in de plaats kan treden van een tot levering van een registergoed bestemde akte. Impliciet volgt dat volgens mij ook uit het arrest van de Hoge Raad van 22 november 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1840). In dat arrest verwerpt de Hoge Raad een cassatieberoep ongemotiveerd op grond van artikel 81 RO, waarin een strikte uitleg van het dictum wordt bepleit voor de vraag of de uitspraak in de plaats kan treden van een leveringsakte. Advocaat-generaal Rank-Berenschot betoogt in haar Conclusie bij dat arrest dat ook in dit soort gevallen het dictum in samenhang met de overwegingen moet worden gelezen (zie ECLI:NL:PHR:2019:844, nr. 2.4 e.v.).

Indachtig het voorgaande som ik voor de praktijk hierna enkele tips op:

  1. als u hoger beroep instelt van een vonnis waarin een partij tot (medewerking aan) levering van een registergoed wordt veroordeeld, denk dan altijd aan de inschrijvingsplicht in het rechtsmiddelenregister binnen acht dagen na het instellen van hoger beroep;
  1. deze verplichting geldt alleen als het vonnis daadwerkelijk in de plaats treedt van een leveringsakte of op het moment waarop hoger beroep is ingesteld nog in de plaats van de akte zou kunnen treden. De inschrijvingsplicht geldt bijvoorbeeld niet wanneer de veroordeelde partij vrijwillig aan de levering meewerkt. Of sprake is van zo’n “vonnis in plaats van akte” kan niet alleen uit het dictum worden afgeleid. Bestudeer het dictum altijd in het licht van de inhoudelijke overwegingen van de uitspraak;
  1. twijfel over de vraag of een inschrijvingsplicht geldt? Schrijf het rechtsmiddel altijd in. Omdat dit geen alledaagse handeling is voor civiele griffies, verdient het aanbeveling om telefonisch aan te kondigen dat er een inschrijvingsverzoek aankomt. Bel ook na of het rechtsmiddel daadwerkelijk is ingeschreven en vraag een schriftelijke bevestiging voor het dossier.