Gunstig dictum, maar toch grieven?

Het dictum is een van de belangrijkste delen van een uitspraak, nu in het dictum de vorderingen van partijen worden toe- of afgewezen. Uit het dictum blijkt welke partij heeft gewonnen, dan wel verloren. Bij winst ‘onder de streep’ is er veelal geen reden om in hoger beroep te gaan: het resultaat is immers wat telt. Maar wat als een partij het wél eens is met het voor haar gunstige dictum, maar níét met de verwerping van enkele ingenomen stellingen in de voorafgaande overwegingen? Kan deze partij dan in hoger beroep hetzelfde dictum vorderen, maar een grief richten tegen de verwerping van deze stellingen? De Hoge Raad boog zich recentelijk over dit vraagstuk.[1]

De verkoopprijs van een winkelruimte

Eisers in eerste aanleg (hierna: “Eisers”) waren eigenaar van een perceel grond. Zij verkochten het perceel aan een projectontwikkelaar voor € 50.000,-. Partijen spraken af dat de projectontwikkelaar op het perceel van Eisers een appartementencomplex zou bouwen, met daarin op de begane grond een winkelruimte. Deze winkelruimte en het bijbehorende appartementsrecht zou uiteindelijk weer door de projectontwikkelaar worden verkocht aan Eisers voor € 50.000,-. Beoogd was dat de koopprijs van het perceel zou worden voldaan door het leveren van de winkel.

Partijen hebben hun afspraken vastgelegd in een overeenkomst. Hierin was bepaald dat de waarde van de winkelruimte voorwaardelijk was: deze zou alleen gelden als bepaalde uitgangspunten over kosten en opbrengsten standhielden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de verwachte verkoopprijs van de appartementen en verwachte kosten aan leges. Mochten deze uitgangspunten geen standhouden, dan zou het financiële verschil, zowel positief als negatief, gelijkelijk worden verdeeld over de partijen.

Na afronding van het project werden Eisers verrast door een rekening van de projectontwikkelaar. Volgens de projectontwikkelaar waren enkele uitgangspunten uit de overeenkomst minder gunstig uitgevallen dan vooraf begroot. De projectontwikkelaar schortte daarom de levering van de winkelruimte op tot het moment dat deze posten volledig zouden zijn voldaan. Eisers waren het hier niet mee eens en stelden dat de situatie juist andersom was. Zij stelden dat enkele uitgangspunten uit de overeenkomst juist gunstiger waren uitgevallen dan vooraf begroot en dat zij degene waren die een vordering hadden op de projectontwikkelaar. Kortom, beide partijen stelden dat zij wat van elkaar hadden te vorderen.

Uiteindelijk startten Eisers een procedure waarin zij levering van de winkelruimte en betaling van de volgens hen nog openstaande posten vorderden. Relevant is dat de projectontwikkelaar géén eis in reconventie tot betaling van de volgens hem nog openstaande posten had ingesteld. Kort gezegd was de inzet in deze procedure of de projectontwikkelaar de winkelruimte diende te leveren en (eventueel) een geldsom diende te betalen, dan wel dat de projectontwikkelaar de levering van de winkelruimte rechtsgeldig mocht opschorten.

Afwijzing van de vordering, maar met enkele voor de projectontwikkelaar nadelige overwegingen

De rechtbank boog zich over de verschillende uitgangspunten uit de overeenkomst en maakte hierin haar eigen rekensom. Uiteindelijk kwam zij tot de conclusie dat het de projectontwikkelaar was die een vordering zou hebben op Eisers ter hoogte van € 13.431,76. Daarom wees de rechtbank de vorderingen van Eisers af. De projectontwikkelaar mocht de levering van de winkelruimte opschorten. Een overwinning voor de projectontwikkelaar.

Toch ging de projectontwikkelaar in appel. In hoger beroep vorderde de projectontwikkelaar dat het hof de vordering van Eisers opnieuw diende af te wijzen, maar met verbetering van gronden. De projectontwikkelaar stelde in haar grief dat het weliswaar juist was dat zij een vordering zou hebben op Eisers, maar dat deze vordering hoger zou zijn dan dat de rechtbank had geoordeeld. Het hof wees de vorderingen van de projectontwikkelaar echter af. Het hof overwoog dat de projectontwikkelaar geen belang had bij het ingestelde hoger beroep, omdat de grieven van de projectontwikkelaar, zelfs als ze zouden slagen, niet tot een andere beslissing zouden leiden. Het dictum zou hetzelfde blijven.

De projectontwikkelaar was het niet eens met dit oordeel en ging in cassatie. De projectontwikkelaar stelde dat hij wel degelijk belang had bij de vaststelling dat zijn vordering op Eisers hoger was dan door de rechtbank was vastgesteld. Dat belang zou voortkomen uit (i) het gezag van gewijsde dat zou toekomen aan de beslissing van de rechtbank voor zover de rechtbank over de diverse verrekenposten in geschil in het nadeel van de projectontwikkelaar zou hebben beslist, en (ii) uit het feit dat de projectontwikkelaar zich op opschorting van de levering van de winkelruimte kon beroepen zolang de vordering niet zou zijn voldaan.

Oordeel Hoge Raad

Relevant is om stil te staan bij het standpunt over het gezag van gewijsde. Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en vervat zijn in een kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen partijen dezelfde bindende kracht, het zogeheten gezag van gewijsde (artikel 236 lid 1 Rv). Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt. Dit geldt ongeacht of wat gevorderd wordt hetzelfde is.[2] Aan niet-dragende, ten overvloede gegeven beslissingen komt geen gezag van gewijsde toe.[3] De Hoge Raad diende in deze zaak dus te beoordelen of er gezag van gewijsde zou toekomen aan voor de projectontwikkelaar nadelige beslissingen over de verrekenposten in geschil.

De Hoge Raad overwoog (i) dat de afwijzing van de vorderingen van Eisers door de rechtbank berustte op de vaststelling dat de projectontwikkelaar per saldo een vordering had op Eisers. Daarom mocht de projectontwikkelaar de levering van de winkelruimte opschorten. De afwijzing van de vorderingen berustte níét mede op de verwerping van stellingen van de projectontwikkelaar die ertoe strekten dat haar vordering op Eisers groter was dan de rechtbank heeft aangenomen. Kortom, de afwijzing van de vordering van Eisers en het honoreren van het opschortingsrecht was gelegen in het bestaan van de vordering. Niet dragend voor de beslissing van de rechtbank was de afwijzing van stellingen dat de vordering nog hoger zou zijn. Wanneer deze stellingen wel gehonoreerd zouden zijn, zou dit namelijk enkel kunnen leiden tot hetzelfde dictum. Daarom komt er ook geen gezag van gewijsde toe aan voor de projectontwikkelaar nadelige beslissingen over de verrekenposten.

Daarnaast overwoog de Hoge Raad (ii) dat het in cassatie onbestreden was dat, wanneer de grieven van de projectontwikkelaar zouden slagen, dit tot hetzelfde dictum zou leiden als de rechtbank in eerste aanleg had gegeven. Nu de projectontwikkelaar geen ander dictum wenste, was er in de duur van het opschortingsrecht voor de projectontwikkelaar geen voldoende belang gelegen om in hoger beroep te gaan. De Hoge Raad kwam tot de slotsom dat de klachten faalden en verwierp het cassatieberoep van de projectontwikkelaar.

Conclusie

De Hoge Raad heeft in dit arrest het leerstuk van het gezag van gewijsde opgefrist. Het arrest leert dat een partij niet kan grieven tegen de verwerping van stellingen die haar positie nog gunstiger doen voorkomen, maar niet tot een ander dictum kunnen leiden. De verworpen stellingen zijn namelijk niet dragend voor de uitspraak indien honorering van de verworpen stellingen enkel tot hetzelfde dictum kan leiden. Aan de verwerping van deze stellingen komt dus ook geen gezag van gewijsde toe.

Al met al had er veel procesrechtelijke hoofdpijn kunnen worden voorkomen indien de projectontwikkelaar een reconventionele vordering tot betaling van de nog openstaande som had ingesteld. In dat geval had de rechtbank deze vordering namelijk gedeeltelijk moeten afwijzen, nu deze niet alle posten in het voordeel van de projectontwikkelaar had begroot. Tegen dit oordeel had de projectontwikkelaar wel hoger beroep kunnen instellen. Voor beide partijen was dan ook duidelijk in rechte vastgesteld wat nu precies de hoogte van de vordering van de projectontwikkelaar was en (dus) hoe lang deze zich op opschorting zou kunnen beroepen.

Wellicht waren er goede redenen om die reconventionele vordering destijds niet in te stellen, maar het is dus wel zaak die afweging bij het starten van de procedure goed te maken. Die afweging moet ook tijdig gemaakt worden, nu het voor het eerst in hoger beroep instellen van een reconventionele vordering in beginsel niet mogelijk is (art. 353 Rv).

[1]     HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1779.

[2]     Vgl. HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099 (IV-Groep/Zwitserleven), rov. 3.1.3.

[3]     Vgl. HR 20 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4740.