Gestold aluminium in smeltovens: fysieke verbondenheid als vereiste voor bestanddeelvorming in de zin van artikel 3:4 lid 2 BW

Meer artikelen over:Cassatie

In een tweetal samenhangende arresten van 13 november 2020 heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de betekenis van het criterium “beschadiging van betekenis” in de zin van artikel 3:4 lid 2 BW. In deze zaken was aan de orde of aluminium dat was gestold in de ovens van de elektrolysefabriek van Zeeland Aluminium Company B.V. (hierna “Zalco”) op grond van artikel 3:4 lid 2 BW bestanddeel is geworden van deze ovens of de elektrolysefabriek omdat het niet zonder beschadiging van betekenis van de ovens kan worden afgescheiden.

Sinds het faillissement van Zalco in 2011 voert Glencore met de curatoren van Zalco en met UTB Holding en NB c.s. een juridische strijd over de vraag wie van hen recht heeft op de opbrengst van het aluminium dat bij het stopzetten van het aluminiumproductieproces gestold is in de smeltovens van Zalco. Door Zalco is een maand voor faillissement een pandrecht ten gunste van Glencore op het aluminium gevestigd. Na het faillissement heeft UTB Holding het recht verworven om het aluminium uit de ovens te verwijderen en de opbrengst van USD 8.030.000 te behouden tegen betaling aan NB, die op die wijze ook zou delen in de opbrengst van het aluminium. Glencore heeft naar aanleiding daarvan een verklaring van recht gevorderd dat het aluminium door de stolling geen bestanddeel is geworden van de elektrolysefabriek en dat haar pandrecht op het aluminium niet is vervallen als gevolg van de stolling.

Twee grondslagen voor bestanddeelvorming

Artikel 3:4 BW bevat twee zelfstandige grondslagen voor bestanddeelvorming. Op grond van het eerste lid is al hetgeen volgens verkeersopvattingen onderdeel van een zaak uitmaakt bestanddeel van die zaak. In de onderhavige zaken ging het om de in het tweede lid vermelde grond, op grond waarvan een zaak bestanddeel wordt van een hoofdzaak, indien zij zodanig met die hoofdzaak wordt verbonden dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan één van de zaken. Daarvan is volgens de Toelichting Meijers in elk geval sprake wanneer een zaak “aard- en nagelvast” is verbonden aan de hoofdzaak. Dat is echter geen vereiste: niet ieder bestanddeel hoeft aard en nagelvast te zijn.

De Hoge Raad herhaalt dat alles wat op de in artikel 3:4 lid 2 BW omschreven wijze is verbonden met de hoofdzaak een bestanddeel is. Daarbij bestaat geen ruimte voor de verkeersopvattingen: deze zijn slechts relevant voor de beoordeling van de vraag of iets een bestanddeel is krachtens het eerste lid van artikel 3:4 BW.

Fysieke verbondenheid van zaak met hoofdzaak

Bij de beoordeling van de vraag of een zaak op grond van artikel 3:4 lid 2 BW bestanddeel is geworden van de hoofdzaak moet volgens de Hoge Raad worden gekeken naar de fysieke verbondenheid van de zaak met de hoofdzaak. Het criterium “beschadiging van betekenis” geeft daarbij aan dat er meer nodig is dan dat de hoofdzaak of het bestanddeel na afscheiding niet meer helemaal gaaf is. Anders dan het hof in het bestreden arrest had overwogen, is niet relevant (aldus de Hoge Raad) wat de vermogensrechtelijke gevolgen zijn van de afscheiding, zoals het minder waard worden van de zaken, en de omstandigheden of de verbinding tussen de zaak en de hoofdzaak onbedoeld tot stand is gekomen en/of met de instandhouding van de verbinding tussen de zaak en de hoofdzaak wel of geen redelijk praktisch of economisch belang is gediend. Ook komt er geen betekenis toe aan de omstandigheid dat er na de afscheiding herstel van de schade kan plaatsvinden. Wel bepaalt de Hoge Raad dat met de situatie dat de fysieke gevolgen van afscheiding van betekenis zijn, redelijkerwijs moet worden gelijkgesteld de situatie waarin afscheiding zonder fysieke gevolgen van betekenis weliswaar technisch mogelijk is, maar daarmee in verhouding tot de waarde van de zaken onevenredig veel inspanningen of kosten zijn gemoeid.

Zoals de Hoge Raad aan het slot van het arrest nog overweegt, zal in de verwijzingsinstantie allereerst (ditmaal aan de hand van het juiste criterium) onderzocht moeten worden of het gestolde aluminium met de ovens is verbonden. De Hoge Raad geeft de verwijzingsrechter tevens mee om, als deze wederom tot het oordeel komt dat het aluminium geen bestanddeel is geworden van de ovens (en er dus belang bestaat bij de overige cassatieklachten), bij de verdere beoordeling rekening te houden met de door de Hoge Raad niet besproken cassatieklachten van UTB Holding, waaronder die over de onrechtmatigheid en de causaliteit (die volgens de Conclusie A-G ook slagen).

Tot slot

Met dit arrest blijft de Hoge Raad dicht bij de wetsgeschiedenis van art. 3:4 BW. De rechter dient voor het vaststellen van fysieke verbondenheid van een zaak met de hoofdzaak in de zin van artikel 3:4 lid 2 BW te onderzoeken of afscheiding mogelijk is zonder dat de fysieke gevolgen daarvan van betekenis zijn. De vermogensrechtelijke gevolgen van afscheiding – zoals het minder waard worden van de zaken – zijn in dat kader irrelevant. Evenmin is er ruimte voor de verkeersopvattingen: deze spelen alleen een rol bij het eerste lid van artikel 3:4 BW.

Deze zaak betreft de volgende uitspraken: ECLI:NL:HR:2020:1785 en ECLI:NL:HR:2020:1786