Franchisegever hoeft (nog steeds) geen omzetprognose te verstrekken

Meer artikelen over:HuurrechtVastgoed
Ingrid Reimert
Ingrid Reimert Advocaat

Vrijdag 21 september jl. heeft de Hoge Raad bevestigd dat franchisegevers niet verplicht zijn om omzetprognoses aan aspirant-franchisenemers te verstrekken. Sinds 2002 is dit de vaste lijn van de Hoge Raad. Ook de verplichting uit de Europese Erecode inzake Franchising brengt hier geen verandering in.

Omzetprognose Albert Heijn

Wat was er aan de hand? Een C-1000 exploitant wilde overstappen naar de Albert Heijn-formule. Voordat een franchiserelatie wordt aangegaan doet de afdeling Location Strategy (LS) van Albert Heijn standaard onderzoek naar het omzetpotentieel van de aspirant-franchisenemer. Dit onderzoek bestaat uit zes fasen. In dit geval is in de eerste vier fasen de omzet die de aspirant-franchisenemer onder de C-1000 vlag behaalde, niet meegenomen. In de laatste twee fasen is die omzet wel meegenomen. Albert Heijn heeft aan de aspirant-franchisenemer de prognoses verstrekt die in de zesde fase tot stand zijn gekomen. Bij de aanbiedingsbrief heeft Albert Heijn nog een ‘omzetpotentie’ gemeld van € 300.000,– en heeft daarbij melding gemaakt van de omzet die onder de C-1000 vlag is behaald.

Verplichting op grond van Europese Erecode?

Na de ombouw naar de Albert Heijn-formule vielen de omzetten tegen. De geprognosticeerde omzet wordt niet behaald en de franchisenemer stelt Albert Heijn hiervoor aansprakelijk. In cassatie komt onder andere de vraag aan de orde of op Albert Heijn de verplichting rustte om in de precontractuele fase omzetprognoses te verschaffen. Als dat het geval is, hadden de prognoses uit de eerste fasen van het LS onderzoek (waarbij zijn C-1000 omzet niet was meegenomen) volgens franchisenemer aan hem verschaft moeten worden. De franchisenemer beroept zich hierbij op de Europese Erecode inzake Franchising die de verplichting kent tot het verschaffen van omzetprognoses aan aspirant-franchisenemers. De Hoge Raad gaat hierin niet mee en herhaalt de lijn die hij in zijn arrest Paalman/Lampenier heeft ingezet dat er geen algemene regel bestaat die inhoudt dat een franchisegever aan een aspirant-franchisenemer omzetprognoses moet geven.

In veel gevallen wordt echter wél een omzetprognose afgegeven. In zo’n situatie kan een franchisegever wel degelijk onrechtmatig handelen, namelijk als dit rapport ernstige fouten bevat waar hij weet van heeft en waarvan hij de aspirant-franchisenemer niet op de hoogte stelt. Ook kan een franchisegever onrechtmatig handelen zonder dat hij van de fouten in een rapport afweet, namelijk als de onzorgvuldigheid van een persoon waarvoor hij aansprakelijk is – zoals de LS afdeling – tot fouten in het rapport heeft geleid.

Fouten gemaakt door Albert Heijn?

De franchisenemer betoogt ook dat Albert Heijn bij het opstellen van de prognose fouten heeft gemaakt doordat de prognose uitsluitend gebaseerd is op de weekomzetten die hij onder C-1000 vlag behaalde. Daarbij zijn volgens hem niet de lokale omstandigheden meegewogen. Volgens de franchisenemer is het Hof ten onrechte niet op deze stelling ingegaan. Hoewel de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad deze klacht gegrond achtte, verwerpt de Hoge Raad de klacht. Het Hof is op de stelling van franchisenemer wel ingegaan, maar heeft die verworpen volgens de Hoge Raad. Die verwerping is ook niet onbegrijpelijk en de Hoge Raad weegt daarbij – enigszins cryptisch – mee dat Albert Heijn onbestreden heeft gesteld dat bij een deel van de overgenomen C-1000 winkels de prognose voor het derde jaar veel hoger uitkwam dan de werkelijke omzet onder C-1000 formule.

Op franchisegevers rust dus – nog steeds – niet de verplichting om aan een aspirant-franchisenemer een omzetprognose te verstrekken. Wellicht dat toekomstige wetgeving daar verandering in gaat brengen.