Erkenning van buitenlandse uitspraken en de openbare orde-exceptie

Onlangs heeft de Hoge Raad een interessant arrest gewezen over de toepassing van de openbare orde-exceptie bij de erkenning van buitenlandse vonnissen op grond van artikel 431 lid 2 Rv (HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1170). Uit het arrest blijkt onder meer dat de omstandigheid dat het EHRM zich op grond van artikel 34 en 35 EVRM niet-ontvankelijk heeft verklaard er niet aan in de weg staat dat de Nederlandse rechter tot de conclusie komt dat de buitenlandse beslissing naar haar inhoud of totstandkoming in strijd met artikel 6 EVRM is en derhalve niet kan worden erkend.

Erkenning van buitenlandse vonnissen

Indien een buitenlandse uitspraak niet afkomstig is uit een EU-lidstaat die onder de Brussel I-bis Verordening valt of uit een land waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten en er evenmin een wettelijke grondslag is voor erkenning van een rechterlijke beslissing uit het desbetreffende land, vergt artikel 431 lid 2 Rv dat het geding opnieuw bij de Nederlandse rechter behandeld wordt.[1] Het komt daarbij niet altijd aan op een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil. Zoals A-G De Bock in haar conclusie bij het arrest van 16 juli jl. opmerkt, kan de eiser in de artikel 431 lid 2 Rv-procedure vorderen dat de gedaagde veroordeeld wordt tot hetgeen hij op grond van de buitenlandse uitspraak gehouden is. De Nederlandse rechter toetst dan of de buitenlandse beslissing voldoet aan de vier voorwaarden die de Hoge Raad in het Gazprombank-arrest heeft geformuleerd.[2] Is aan alle vier de voorwaarden voldaan, dan dient de uitspraak in beginsel erkend te worden.[3] Het onderhavige arrest heeft betrekking op de tweede en derde Gazprombank-voorwaarden; (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging en (iii) de erkenning is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde.[4] Uit HR Yukos Oil volgt dat deze twee voorwaarden tezamen de openbare orde-exceptie vormen.[5]

De casus

Begin 2000 sluiten de Italiaanse vennootschappen Becchetti Energy Group (BEG) en Enelpower (een dochteronderneming van Enel) een samenwerkingsovereenkomst, die voorziet in de realisatie en exploitatie van een waterkrachtcentrale in Albanië. Enige tijd later trekt Enelpower zich wegens onenigheid terug uit het project, waarop BEG – zonder succes – een arbitrageprocedure begint in Italië. Enkele jaren later daagt ABA (de dochtervennootschap van BEG) Enel c.s. voor de Albanese overheidsrechter.[6] De Albanese rechter veroordeelt Enel c.s. tot vergoeding van de door ABA geleden buitencontractuele schade. Enel c.s. stellen tevergeefs hoger beroep en cassatie in. Hun herzieningsverzoek wordt eveneens afgewezen. Zij laten echter één rechtsmiddel onbenut; een beroep bij het Constitutioneel Hof van Albanië. Wel wenden zij zich tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het EHRM oordeelt dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 34 en 35 EVRM en verklaart Enel c.s. niet-ontvankelijk.[7]

De procedure in Nederland

Het geschil vindt uiteindelijk haar weg naar Nederland, waar de Rechtbank Amsterdam oordeelt dat het Albanese vonnis, ten aanzien van de buitencontractuele schade, op grond van artikel 431 lid 2 Rv kan worden erkend.[8] Het hof komt echter tot de conclusie dat de wijze waarop de Albanese rechter de schade heeft berekend dermate onjuist is dat het in de weg staat aan erkenning. De Albanese rechtbank is, zo overweegt het hof, niet op het essentiële verweer van Enel ten aanzien van de schade ingegaan en heeft het schadevergoedingsbedrag toegewezen op basis van de te realiseren omzet van het project over een periode van acht jaar, zonder rekening te houden met de bouwkosten van de waterkrachtcentrale. Die beslissing is volgens het hof dermate strijdig met het aangehaalde Albanese recht dat “sprake is van een manifeste fout en dat geen redelijk handelende rechtbank op basis van het rapport van de experts en het Albanese recht tot eenzelfde oordeel had kunnen komen”.[9] Het hof oordeelt dat de beslissing aangemerkt moet worden als “arbitrary and manifestly unreasonable” en dat de Albanese rechtsgang derhalve niet voldaan heeft aan artikel 6 EVRM.[10] Aldus is niet voldaan aan de tweede Gazprombank-voorwaarde. Daarnaast zou erkenning strijd met de fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde opleveren (oftewel: de derde Gazprombank-voorwaarde), aangezien Enel c.s. dan in Nederland een “willekeurige en evident onjuiste en onredelijke beslissing” zouden moeten nakomen.[11] De niet-ontvankelijkverklaring van het EHRM doet hier volgens het hof niet aan af, omdat het EHRM de klachten niet op inhoudelijke gronden heeft afgewezen en artikel 34 en 35 EVRM een andere toets behelzen.[12] Tevens oordeelt het hof dat de omstandigheid dat Enel c.s. zich niet tot het constitutionele hof hebben gewend – in dit specifieke geval – niet aan toepassing van de openbare orde-exceptie in de weg staat.[13]

Het oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat de niet-ontvankelijkheidverklaring van het EHRM onverlet laat dat de Nederlandse rechter tot de conclusie kan komen dat niet aan de tweede en derde Gazprombank-voorwaarden is voldaan, omdat de beslissing naar haar inhoud of totstandkoming in strijd met artikel 6 EVRM is. Dit lijdt volgens de Hoge Raad zelfs geen uitzondering wanneer het EHRM haar beslissing op de kennelijke ongegrondheid van het verzoekschrift zou hebben gebaseerd.[14] De Hoge Raad overweegt verder dat de omstandigheid dat een nationaalrechtelijk rechtsmiddel waarvan effect viel te verwachten niet is uitgeput van belang kan zijn, maar dat het uiteindelijk aan de rechter is om te beoordelen of dit in de weg staat aan een beroep op de openbare orde-exceptie.[15]

Blijkens de overwegingen van de Hoge Raad (en het hof) is het standpunt dat uit een niet-ontvankelijkheidsverklaring van het EHRM volgt dat er geen sprake kan zijn van strijd  met de openbare orde dus onjuist. Voor wat betreft het onbenut laten van bepaalde nationaalrechtelijke rechtsmiddelen voert het echter te ver om te zeggen dat dit nooit in de weg kan staan aan een beroep op de openbare orde-exceptie. In Yukos Oil oordeelde de Hoge Raad reeds dat de rechter aan deze omstandigheid gewicht toe kan kennen, maar – gelet op de omstandigheden van het geval – ook tot de conclusie kan komen dat het onbenut laten van beschikbare rechtsmiddelen geen consequenties heeft.[16] Het verdient dan ook opmerking dat het hof uitvoerig had gemotiveerd waarom de omstandigheid dat Enel zich niet tot het constitutionele hof heeft gewend, haar niet kon worden tegengeworpen.[17]

De Hoge Raad verduidelijkt met zijn arrest van 16 juli jl. aldus de uitleg van de openbare orde-exceptie zoals hij die eerder in de standaardarresten Gazprombank en Yukos Oil heeft geformuleerd en benadrukt dat aan de erkenning van buitenlandse vonnissen strenge eisen gesteld mogen worden.

[1] Conclusie A-G De Bock, ECLI:NL:PHR:2021:102, 3.2-3.3.

[2] Ibid., 3.6-3.7, onder verwijzing naar HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank), rov. 3.6.4.

[3] Ibid., 3.7.

[4] HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank), rov. 3.6.4.

[5] Conclusie A-G De Bock, ECLI:NL:HR:2021:1170, 3.16, onder verwijzing naar HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54 (Yukos Oil), rov. 4.2.

[6] Zie HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1170, rov. 2.1.

[7] Ibid.

[8] Ibid., rov. 2.3.

[9] Ibid., rov. 2.4.1.

[10] Ibid.

[11] Ibid.

[12] Ibid., rov. 2.4.2.

[13] Ibid., rov. 2.4.3.

[14] Ibid., rov. 3.2.3. Voor de cassatieklachten met betrekking tot de omvang van de herbeoordeling, zie rov. 3.4.1-3.5 van het arrest.

[15] Ibid., rov. 3.3.2.

[16] Conclusie A-G De Bock, ECLI:NL:HR:2021:1170, 4.39, onder verwijzing naar HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54 (Yukos Oil), rov. 4.3.4.

[17] Zie: Hof Amsterdam 3 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4260, rov. 3.40.