Driemaal Dexia en massaschade-overeenkomsten

Meer artikelen over:Cassatie
Paul Tanja
Paul Tanja Advocaat

De Hoge Raad deed afgelopen vrijdag 9 december 2016 drie nieuwe uitspraken in de beruchte Dexia-affaire, die ook wel de ‘aandelenlease-‘ of ‘effectenlease-affaire’ wordt genoemd. De uitspraken zijn relevant voor alle overeenkomsten die op grond van de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM) algemeen verbindend worden verklaard.

Achtergrond Dexia-affaire en WCAM

Deelnemers aan een aandelenlease-constructie kochten aandelen deels met eigen geld en deels met geleend geld, daartoe geprikkeld door termen als ‘vermogensversneller’, ‘winstverdriedubbelaar’ en ‘korting-kado’. Niet alle deelnemers realiseerden zich echter dat zij voor een gedeelte investeerden met geleend geld. Toen de beurs in 2001 ernstig daalde, werden zij geconfronteerd met een restschuld uit het geleende bedrag. In Nederland zijn tussen 1991 en 2003 zo’n 1 miljoen aandelenleasecontracten verkocht. De meeste van deze contracten waren verkocht door Legio Lease, een dochter van Bank Labouchere, dat op enig moment in handen kwamen van Dexia.

Om te voorkomen dat potentieel gedupeerden massaal naar de rechter zouden gaan voor schadevergoeding, werd de WCAM-procedure uit artikel 7:900 BW e.v. gevolgd. Dit mondde uit in een schikking, op grond waarvan gedupeerden twee-derde van de restschuld kregen kwijtgescholden, maar de resterende schuld en hun inleg kwijt waren. Het Hof Amsterdam verklaarde deze overeenkomst in 2007 op basis van de WCAM algemeen verbindend (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ033). Daardoor zijn alle gedupeerden – ook al waren zij niet betrokken bij de procedure die tot de WCAM-overeenkomst leidde – in beginsel aan die overeenkomst gebonden en is hun geschil met Dexia ten einde. Momenteel wordt de WCAM-procedure ook gevolgd om de schikking tussen (oud) beleggers van Fortis en Ageas (de rechtsopvolger van Fortis) algemeen verbindend te verklaren.

Uitspraken


Opt out-verklaring

In de eerste uitspraak (ECLI:NL:HR:2016:2822) ging het om de vraag of een zogenaamde ‘opt out-verklaring’ ook kan worden gedaan aan een andere persoon dan die in de WCAM-overeenkomst was aangewezen. Met een opt out-verklaring voorkomt een gedupeerde dat hij gebonden wordt aan de algemeen verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst. Op basis van de wet dient een dergelijke verklaring schriftelijk te worden gedaan aan de persoon die in de overeenkomst is aangewezen (art. 7:908 lid 2 jo. 7:907 lid 2 onder f BW). De aangewezen persoon was in dit geval een zekere Haagse notaris. Eisers hadden daarentegen hun brief gestuurd naar Dexia zelf en Dexia had die brief ook ontvangen. Eisers betoogden bij de Hoge Raad dat de wet de ruimte biedt om een opt out-verklaring te doen aan iemand anders dan de persoon die in de WCAM-overeenkomst is aangewezen. De Hoge Raad overweegt anders. Volgens de Hoge Raad kan een opt out-verklaring alleen worden gedaan aan degene die daarvoor in de WCAM-overeenkomst is aangewezen. De bedoeling hiervan is – aldus de Hoge Raad – dat binnen een bepaalde termijn zowel voor de partij die zich heeft verbonden tot vergoeding van schade (hier: Dexia), als voor de gerechtigde tot vergoeding (hier: eisers), zekerheid bestaat over hun onderlinge verplichtingen.

Dit is een bevredigende uitkomst. Een algemeen verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst kan zich uitstrekken tot duizenden of zelfs honderdduizenden mensen. Administratieve chaos zou kunnen ontstaan als zelfs maar een deel van deze mensen hun opt out-verklaring aan verschillende personen doen. Dat is bovendien onnodig, omdat een WCAM-overeenkomst bekend wordt gemaakt en dus duidelijk is aan wie de opt out-verklaring dient te worden gedaan (art. 1017 lid 3 Rv). De Hoge Raad laat overigens wel een gaatje voor bijzondere gevallen, waarin het “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar” zou zijn om het standpunt te handhaven dat de opt out-verklaring niet op de juiste wijze is gedaan. De Hoge Raad noemt geen voorbeelden, maar te denken valt aan een situatie waarin de aangewezen (rechts)persoon is overleden of failliet is gegaan.

Reikwijdte WCAM-overeenkomst

De tweede uitspraak (ECLI:NL:HR:2016:2825) betrof de reikwijdte van de WCAM-overeenkomst. Onderdeel van zo’n overeenkomst is doorgaans dat gedupeerden kwijting verlenen van al hun vorderingen op de wederpartij, in dit geval Dexia. Eisers betoogden evenwel dat die kwijting zich slechts uitstrekte tot vorderingen uit schadevergoeding. De Hoge Raad gaat daar niet in mee en overweegt dat de WCAM-regeling een ruim toepassingsbereik beoogt. Dat ruime toepassingsbereik is onlangs in een wetswijziging nog eens verduidelijkt (in art. 7:907 lid 7 BW), aldus de Hoge Raad. Een en ander betekent dat een WCAM-overeenkomst niet alleen dient ter afwikkeling van vorderingen uit schadevergoeding die gedupeerden kunnen hebben, maar ook mogelijke andere vorderingen (zoals kwijtschelding van de schuld die resteert door de vernietigbaarheid van een effectenlease-overeenkomst).

Ook deze uitkomst is goed te plaatsen. Potentieel gedupeerden kunnen een bont palet van verschillende vorderingen hebben op de organisatie door wie zij menen te zijn benadeeld. Een vordering tot schadevergoeding – hoewel een veelvoorkomende – is daar slechts één van. Een algemeen verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst, die juist beoogt om in één klap een einde te maken aan een veelvoud van mogelijke geschillen, zou behoorlijk aan belang inboeten als zij niet ook op andere vorderingen betrekking had.

Maatstaf bij uitleg WCAM-overeenkomst

In de derde uitspraak (ECLI:NL:HR:2016:2835) stond de vraag centraal hoe de WCAM-overeenkomst dient te worden uitgelegd. Eiser had vóór de WCAM-regeling al een overeenkomst met Dexia gesloten ter beëindiging van hun geschil. Diens echtgenoot had deze overeenkomst echter niet mede-ondertekend en kon die overeenkomst daarom (mogelijk) vernietigen op grond van artikel 1:89 jo. 1:88 BW. De vraag was vervolgens of de (latere) WCAM-overeenkomst ook aan deze onzekerheid een einde maakte. Volgens het hof was dit het geval en de Hoge Raad laat dat oordeel in stand. Dat was een kwestie van uitleg van de WCAM-overeenkomst. De Hoge Raad overweegt hierover dat de WCAM-overeenkomst de positie van derden (bijv. gedupeerden) beïnvloedt, zonder dat die derden invloed hebben gehad op de inhoud of de formulering van die overeenkomst. Volgens de Hoge Raad dienen dergelijke overeenkomsten daarom objectief te worden uitgelegd, waarbij de Hoge Raad verwijst naar het bekende DSM/Fox-arrest over de uitleg van contracten (ECLI:NL:HR:2004:AO1427).

Deze laatste uitspraak verwondert evenmin. Voor de praktijk is vooral van belang dat de Hoge Raad nu heeft aangegeven welke maatstaf moet worden gebruikt bij de uitleg van WCAM-overeenkomsten. Het is vaste jurisprudentie dat naarmate een overeenkomst meer partijen bindt die bij de totstandkoming van die overeenkomst niet waren betrokken, de rechter objectiever maatstaven hanteert om de overeenkomst uit te leggen. Denk ook aan de uitleg van CAO’s. Een objectieve uitleg betekent doorgaans dat men dicht bij de letterlijke tekst van de overeenkomst blijft en minder kijkt naar de bedoeling van partijen (die immers niet kenbaar is voor derden).

Conclusie

Samengevat kunnen uit deze drie uitspraken de volgende tips worden gedestilleerd: (i) een gedupeerde die niet gebonden wil zijn aan een algemeen verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst en zijn individuele vorderingsrechten wil behouden, dient goed te kijken aan wie hij zijn opt out-verklaring moet doen; (ii) een gedupeerde dient zich te realiseren dat hij bij gebondenheid aan een WCAM-overeenkomst kwijting verleent van alle vorderingen die hij mogelijk heeft op de organisatie door wie hij is benadeeld; (iii) voor de uitleg van een WCAM-overeenkomst moet men te rade gaan bij de objectieve kenmerken van de overeenkomst, zoals de letterlijke tekst daarvan.