De Wet franchise

Meer artikelen over:Commerciële contracten

De franchisesector is een belangrijke sector voor de Nederlandse economie. Toch bevat de Nederlandse wet op dit moment geen regelgeving die speciaal bedoeld is voor franchiseovereenkomsten. Dat wil zeggen: nog niet. Op 10 februari 2020 hebben staatssecretaris Mona Keijzer (van Economische Zaken en Klimaat) en minister Sander Dekker (voor Rechtsbescherming) een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd dat regels introduceert omtrent de franchiseovereenkomst.

In deze blog bespreken wij eerst kort wat de aanleiding is geweest voor het wetsvoorstel franchise. Daarna bespreken wij wat het wetsvoorstel op hoofdlijnen inhoudt. Tot slot geven wij een overzicht van de gevolgen voor de praktijk als het wetsvoorstel wordt aangenomen.

Wat is de aanleiding voor de Wet franchise?

Volgens de wetgever bestaat er ongelijkheid tussen de franchisegever en de franchisenemer. De franchisegever zou een zeker overwicht hebben ten opzichte van de franchisenemer. Dit kan tot onredelijke situaties leiden voor de franchisenemer. Pogingen in het verleden om de positie van de franchisenemer te versterken door middel van zelfregulering hebben niet het gewenste resultaat gehad. De Wet franchise beoogt straks alsnog de positie van de franchisenemer te versterken.

Wat houdt de Wet franchise op hoofdlijnen in?


Franchiseovereenkomst

De Wet franchise geeft een definitie voor begrippen als de franchiseovereenkomst, de franchiseformule en de franchisegever. Wanneer de juridische relatie van twee partijen alle elementen heeft van een franchiseovereenkomst, zoals gedefinieerd in de Wet franchise, bestaat tussen deze partijen een franchiseovereenkomst. De bepalingen van de Wet franchise zijn in dat geval van toepassing. Van deze bepalingen mag niet ten nadele van de franchisenemer worden afgeweken.

Precontractuele informatieplichten

De Wet franchise bevat ook regels die betrekking hebben op de periode die voorafgaat aan het moment waarop de franchiseovereenkomst wordt gesloten; de precontractuele fase. In de precontractuele fase moeten de franchisegever en de beoogd franchisenemer elkaar tijdig de in de Wet franchise genoemde informatie geven. De gedachte hierachter is dat de franchisegever en de beoogd franchisenemer allebei in staat moeten zijn om een reële inschatting te maken van de risico’s die het sluiten en de uitvoering van de franchiseovereenkomst meebrengen. Zij moeten kunnen beoordelen of, in hoeverre, en onder welke voorwaarden zij bereid zijn om die risico’s aan te gaan. In dit kader moet de franchisegever bijvoorbeeld het definitieve concept van de franchiseovereenkomst inclusief bijlagen aan de franchisenemer geven. De franchisenemer heeft dan de gelegenheid om deze overeenkomst te (laten) beoordelen. Ook moet de franchisegever financiële informatie geven, bijvoorbeeld ten aanzien van de investeringen die van de beoogd franchisenemer worden verlangd. De Wet franchise verplicht de franchisegever niet tot het verstrekken van een omzetprognose. Dit is in lijn met vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 25 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7329 (Paalman/Lampenier)). Het staat de franchisegever uiteraard vrij om wel een omzetprognose te verstrekken.

Stand-still periode

Alle informatie die de franchisegever op grond van de Wet franchise aan de beoogd franchisenemer moet geven, moet ten minste vier weken voorafgaand aan het sluiten van de franchiseovereenkomst aan de beoogd franchisenemer worden verstrekt. De termijn van ten minste vier weken geldt bovendien als een stand-still periode. Tijdens deze stand-still periode heeft de franchisenemer de gelegenheid om de van de franchisegever ontvangen informatie te bestuderen. De franchisenemer is verplicht om maatregelen te treffen om te voorkomen dat hij op basis van onjuiste veronderstellingen de franchiseovereenkomst sluit. Hij kan dit doen door zich tijdens de stand-still periode te laten adviseren door een deskundige. Ook kan hij eventuele vragen stellen aan of overleggen met de franchisegever over de inhoud en uitvoering van de beoogde franchiseovereenkomst.

Tijdens de stand-still periode mag de franchisegever de concept franchiseovereenkomst niet wijzigen, tenzij de wijziging in het voordeel is van de beoogd franchisenemer. Ook mag de franchisegever tijdens de stand-still periode niet overgaan tot het sluiten van de franchiseovereenkomst of van een daarmee onlosmakelijk verbonden overeenkomst (bijv. een huurovereenkomst voor het pand waarin de beoogd franchisenemer zich zou moeten vestigen). Uitzondering hierop is de geheimhoudingsovereenkomst ten aanzien van informatie die de franchisegever met het oog op het sluiten van de franchiseovereenkomst aan de beoogd franchisenemer heeft verstrekt. De franchisegever mag de beoogd franchisenemer tijdens de stand-still periode ook niet aanzetten tot het doen van betalingen of investeringen die samenhangen met de nog te sluiten franchiseovereenkomst. Te denken valt aan investeringen ten behoeve van de koop van een bedrijfspand.

Informatieplicht tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst

De Wet franchise bepaalt welke informatie de franchisegever tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst aan de franchisenemer moet verstrekken. Deze informatieplicht van de franchisegever moet ervoor zorgen dat de franchisenemer zich op tijd kan voorbereiden op bepaalde plannen van en ontwikkelingen bij de franchisegever, zoals een wijziging van de franchiseovereenkomst.

Bijstand en commerciële en technische ondersteuning

Wanneer een franchisenemer bij de exploitatie van de franchiseformule behoefte heeft aan hulp of ondersteuning van de franchisegever, moet de franchisenemer dit aan de franchisegever laten weten.  De franchisegever is verplicht om de bijstand en commerciële en technische ondersteuning te geven die de franchisenemer redelijkerwijs nodig heeft om de franchiseformule te kunnen exploiteren. Denk aan het geven van uitleg over het te gebruiken kassasysteem, reclamemateriaal of software. Hoever de verplichting tot het verstrekken van bijstand strekt, hangt af van het type franchiseformule. Bij hard franchise mag dus meer bijstand worden verwacht dan bij soft franchise.

Goodwill en het post-contractueel non-concurrentiebeding

In de franchiseovereenkomst moet een regeling worden opgenomen ten aanzien van goodwill. De franchiseovereenkomst moet onder andere bepalen op welke manier wordt vastgesteld of goodwill aanwezig is in de onderneming van de franchisenemer en zo ja, hoeveel, en in welke mate deze goodwill aan de franchisengever is toe te rekenen. Voor het geval er sprake is van goodwill die redelijkerwijs aan de franchisenemer is toe te rekenen, moet de franchiseovereenkomst bepalen hoe deze goodwill aan de franchisenemer wordt vergoed op het moment dat de franchisegever de onderneming van de franchisenemer overneemt.

Soms bevat de franchiseovereenkomst een regeling die de franchisenemer beperkt in zijn mogelijkheden om na het einde van de franchiseovereenkomst met de franchisegever te concurreren. Dit wordt wel een post-contractueel non-concurrentiebeding genoemd. De Wet franchise bepaalt wanneer een post-contractueel non-concurrentiebeding geldig is. Zo mag het beding niet langer dan een jaar na het einde van de franchiseovereenkomst gelden en moet het schriftelijk zijn vastgelegd.

Instemming franchisenemer

De franchisegever heeft de voorafgaande instemming van de franchisenemer nodig als hij van plan is om de franchiseovereenkomst te wijzigen of een afgeleide formule te exploiteren en deze plannen bepaalde in de Wet franchise genoemde financiële gevolgen hebben voor de franchisenemer. De franchiseovereenkomst kan bepalen dat de financiële gevolgen een bepaald drempelbedrag moeten overstijgen voordat de voorafgaande instemming van de franchisenemer nodig is.

Welke gevolgen heeft de Wet franchise voor de praktijk?

De Wet franchise heeft de volgende gevolgen voor franchisenemers en franchisegevers:

  1. Franchisegevers en franchisenemers moeten ervoor zorgen dat hun franchiseovereenkomst per inwerkingtreding van de Wet franchise voldoet aan de eisen van deze wet. Alleen ten aanzien van bepaalde artikelen (goodwill, post-contractueel non-concurrentiebeding en instemming) geldt een overgangsregeling.
  2. Franchisegever en franchisenemer moeten zich ten opzichte van elkaar gaan gedragen als een goed franchisenemer en een goed franchisegever.
  3. Voorafgaand aan het sluiten van de franchiseovereenkomst moet de beoogd franchisenemer tijdig informatie verschaffen aan de franchisegever over zijn financiële positie, voor zover deze informatie redelijkerwijs van belang is voor het sluiten van de franchiseovereenkomst.
  4. Voorafgaand aan het sluiten van de franchiseovereenkomst moet de franchisegever tijdig de in de Wet franchise genoemde informatie aan de beoogd franchisenemer verstrekken (zie art. 7:913 lid 2 t/m 4).
  5. De franchisegever moet erop letten dat alle informatie die hij voorafgaand aan de stand-still periode aan de beoogd franchisenemer verstrekt zo juist, duidelijk en volledig mogelijk is. Dit om te voorkomen dat er steeds nieuwe stand-still periodes gaan lopen waarbinnen de franchiseovereenkomst niet mag worden getekend.
  6. De beoogd franchisenemer moet de nodige maatregelen treffen om te voorkomen dat hij onder invloed van onjuiste veronderstellingen de franchiseovereenkomst aangaat.
  7. Tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst moet de franchisegever tijdig de in de Wet franchise genoemde informatie aan de franchisenemer verschaffen (zie art. 7:916).
  8. Franchisegever en franchisenemer moeten minimaal eenmaal per jaar met elkaar overleggen.
  9. De franchisegever moet wanneer de franchisenemer daarom vraagt bijstand en commerciële en technische ondersteuning bieden voor zover redelijkerwijs noodzakelijk voor de exploitatie van de franchiseformule.
  10. De franchiseovereenkomst moet een goodwill bepaling bevatten die voldoet aan de eisen van de Wet franchise (zie art. 7:920 lid 1 en de daarvoor geldende overgangsregeling).
  11. Een post-contractueel non-concurrentiebeding in de franchiseovereenkomst moet voldoen aan de vereisten van de Wet franchise (zie art. 7:920 lid 2 en de daarvoor geldende overgangsregeling).
  12. De franchisegever doet er goed aan in de franchiseovereenkomst te bepalen vanaf welk drempelbedrag de voorafgaande instemming van de franchisenemer vereist is in de in de Wet franchise genoemde gevallen (zie art. 7:921); en
  13. de franchisegever doet er goed aan in de franchiseovereenkomst te bepalen van welke franchisenemers hij de hiervoor onder nr. 12 bedoelde instemming nodig heeft. Dat wil zeggen ofwel van een meerderheid van de franchisenemers ofwel van iedere franchisenemer die door een voorgenomen wijziging van de franchiseovereenkomst of de voorgenomen exploitatie van een afgeleide formule wordt geraakt.

Tot slot

Het wetsvoorstel zal de komende tijd worden behandeld in de Tweede Kamer. Als het wetsvoorstel door de Tweede Kamer wordt aangenomen, zal het vervolgens worden behandeld in de Eerste Kamer. Wanneer zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer het wetsvoorstel aannemen zal de Wet franchise na ondertekening en publicatie in het Staatsblad in werking treden. Wij volgen de ontwikkelingen op de voet. Heeft u vragen over of naar aanleiding van de Wet franchise? Neem dan vooral contact met ons op.