De meldplicht betalingsonmacht pensioenpremies nader toegelicht

Op grond van artikel 23 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000) dienen ondernemingen die verplicht zijn aangesloten bij een bedrijfstakpensioenfonds maar niet (meer) in staat zijn de pensioenpremies te betalen, daarvan zo spoedig mogelijk melding te maken aan het pensioenfonds. Meldt de onderneming haar betalingsonmacht niet, niet tijdig of niet juist dan leidt dit in de regel tot persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder(s) en zal het pensioenfonds zich voor de achterstallige premies kunnen verhalen op hun privévermogen. Tot voor kort werd deze meldplicht strikt en rechtlijnig toegepast. Bij arrest van 24 december 2021 heeft de Hoge Raad de teugels echter ietwat laten vieren door te bepalen dat een formele melding van betalingsonmacht onder omstandigheden achterwege kan blijven. Een voor bestuurders relevante ontwikkeling.

Hoge Raad 24 december 2021­ (ECLI:NL:HR:2021:1976)

In deze zaak speelde kortgezegd het volgende. Solace Algemene Thuiszorgcombinatie B.V. (Solace) was een onderneming actief in de thuiszorg en in dat kader verplicht om deel te nemen aan het bedrijfstakpensioenfonds Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW).

Na een aantal jaar haar premies netjes te hebben afgedragen, begint Solace in 2012 een achterstand in haar verplichte betalingen aan PFZW op te bouwen. Op een zeker moment heeft Solace een betalingsachterstand van grofweg € 11.000,- en neemt zij contact op met PFZW. Uit eigen beweging stelt Solace PFZW op de hoogte van het feit dat zij zich in een moeilijke financiële situatie bevindt en licht zij de achtergrond daarvan toe. In de daaropvolgende periode vindt er regelmatig en intensief overleg plaats tussen Solace en PFZW. Ook voert PFZW een boekenonderzoek bij Solace uit.

Ondanks het overleg en boekenonderzoek weten partijen geen definitieve betalingsregeling te treffen en loopt de premieachterstand alsmaar op. Inmiddels loopt Solace ruim € 900.000,- achter op haar betalingen en is de maat voor PFZW vol. Met een beroep op het niet hebben voldaan aan de meldplicht ex artikel 23 Wet Bpf 2000 richt PFZW zich tot de bestuurder van Solace en houdt zij hem in privé aansprakelijk voor het totaalbedrag aan achterstallige pensioenpremies. De bestuurder verweert zich door te stellen dat de betreffende meldplicht is komen te vervallen nu Solace PFZW al op een andere manier op de hoogte heeft gesteld van haar betalingsonmacht. In lijn met de strikte leer oordeelden zowel de kantonrechter als het gerechtshof dat het enkele feit dat PFZW reeds op de hoogte was van de financiële moeilijkheden van Solace, Solace nog niet ontslaat van haar verplichting om een formele melding te maken. Beide instanties concludeerden tot aansprakelijkheid van de bestuurder.

De Hoge Raad ging hier – gelukkig voor de bestuurder en mijns inziens geheel terecht – niet in mee. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis oordeelde hij dat het strookt met het doel van de melding om aan te nemen dat een formele melding achterwege kan blijven als het pensioenfonds tijdig op een andere wijze dan door een melding op de hoogte is geraakt van (i) de betalingsonmacht van de rechtspersoon, (ii) de omstandigheden die daartoe hebben geleid en dat (iii) deze wetenschap het bedrijfstakpensioenfonds in staat stelt zich een redelijk oordeel te vormen over de oorzaken van de betalingsonmacht en zich te beraden over de opstelling die zij tegenover de rechtspersoon zal innemen. Met andere woorden: indien het pensioenfonds wetenschap heeft van de betalingsonmacht en (kort gezegd) de oorzaken daarvan, is een formele melding niet noodzakelijk, aldus de Hoge Raad.

Relevantie voor de praktijk

Met zijn arrest van 24 december 2021 past de Hoge Raad een billijkheidscorrectie toe op de strikte uitleg van de meldplicht ex artikel 23 Wet Bpf 2000. Een ontwikkeling die wat mij betreft toegejuicht kan worden. Immers, een té strikte uitleg kan in de praktijk tot gevolg hebben dat het doel van de meldplicht voorbij wordt gestreefd en kan leiden tot disproportionele gevolgen voor bestuurders.

Let wel, het feit dat de Hoge Raad de teugels ietwat laat vieren (i) onderstreept het belang van een proactieve houding ingeval van betalingsonmacht en (ii) neemt niet weg dat het maken van een formele melding nog altijd de beste keuze is om discussie achteraf te voorkomen. Bestuurders, wees dus alert en gewaarschuwd.