De belangeis voor verzoek om voorlopig getuigenverhoor in collectieve actie

Bij arrest van 11 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:347) heeft de Hoge Raad duidelijkheid gegeven over de belangeis voor toewijzing van een voorlopig getuigenverhoor ten behoeve van een collectieve actie op de voet van artikel 3:305a BW. Daarvoor is van belang dat de verzoeker van het voorlopig getuigenverhoor bij het instellen van de uiteindelijk beoogde vordering voldoet aan de vereisten van artikel 3:305a BW, aldus de Hoge Raad. Daarmee kiest de Hoge Raad in zekere zin voor een inhoudstoetsing van de beoogde bodemvordering, waar hij een dergelijke toets bij ‘normale’ verzoeken om een voorlopig getuigenverhoor van de hand wijst. In deze blog ga ik nader op deze ontwikkeling in.

Lage drempel voor toewijzing voorlopig getuigenverhoor

Voor toewijzing van een voorlopig getuigenverhoor gelden in het algemeen geen hoge eisen. Het voorlopig getuigenverhoor heeft onder meer als doel om belanghebbenden de kans te bieden vooraf aan een eventuele bodemzaak opheldering te verkrijgen omtrent de feiten. Het voorlopig getuigenverhoor beoogt hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie de bodemzaak moet worden aangespannen.[1]

De verzoeker dient in zijn verzoekschrift de aard en het beloop van de vordering te vermelden. Daarnaast dient hij de feiten of rechten te noemen die hij wil bewijzen. Voor de rechter en de wederpartij dient op basis van het verzoek duidelijk te zijn op welk ‘feitelijk gebeuren’, aldus de Hoge Raad in vaste rechtspraak, het verhoor betrekking zal hebben. Voor toewijzing van het verzoek is niet vereist dat de verzoeker nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag zal leggen. Ook hoeft de verzoeker zich niet uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, voor zover relevant, de omvang van de schade. Het verzoek kan worden afgewezen op grond van misbruik van procesrecht (artikel 3:13 BW), strijd met de goede procesorde, een ander zwaarwichtig bezwaar, dan wel een gebrek aan belang (artikel 3:303 BW).[2]

Geen inhoudelijke toetsing toewijsbaarheid bodemvordering

In literatuur is betoogd dat indien de gepretendeerde bodemvordering reeds bij oppervlakkige beoordeling niet kan slagen, het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor bij gebrek aan belang moet worden afgewezen. In lagere rechtspraak zijn enige voorbeelden van een dergelijke redenering te vinden.[3] De Hoge Raad heeft die lijn echter niet overgenomen. In zijn vaste rechtspraak overweegt de Hoge Raad dat in de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voorligt.[4]

Deze lijn is in mijn ogen onnodig streng: indien een bodemvordering reeds bij oppervlakkige beoordeling niet kan slagen, zie ik reden om een voorlopig getuigenverhoor van de hand te wijzen. Daarmee kan kostbare tijd van de rechterlijke macht worden uitgespaard.

Toetsing haalbaarheid bodemvordering collectieve actie?

De vraag rijst of de betekenis van de haalbaarheid van een bodemvordering anders moet worden gewogen als het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wordt gedaan met het oog op een collectieve actie ex artikel 3:305a BW. Daarover gaat het arrest van de Hoge Raad van 11 maart jl. (ECLI:NL:HR:2022:347). Stichting MUSIC#METOO (de Stichting) doet bij verzoekschrift van 11 december 2019 een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor tegen Warner Music Benelux B.V. en een aantal artiesten en managers.

Het hof wijst dit verzoek af. Het stelt vast dat de Stichting het verzoek heeft gedaan met het oog op een collectieve actie op grond van artikel 3:305a BW. Volgens het hof is het mogelijk om in dat kader om een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken, maar dient daarbij wel betekenis toe te komen aan de vereisten voor de collectieve actie als bedoeld in artikel 3:305a BW.

Het hof memoreert vervolgens aan de in artikel 3:305a BW per 1 januari 2020 aangebrachte wijzigingen en stelt vast dat de Stichting niet aan de vereisten van voornoemd gewijzigd artikel voldoet. Zo heeft de Stichting volgens het hof niet inzichtelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk beschikt over een achterban, die belang heeft bij de beantwoording van de rechtsvraag die de Stichting met een collectieve actie aan de rechter wenst voor te leggen. Ook valt bij afwezigheid van nadere gegevens over de achterban niet te toetsen of een voldoende gehalte aan gelijksoortige belangen voorhanden is om een collectieve actie ontvankelijk te doen zijn, in die zin dat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd, aldus het hof. Ook had de Stichting aannemelijk moeten maken dat zij voldoet aan de vereisten van transparantie en governance, die artikel 3:305a BW stelt. Om deze redenen wijst het hof het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor vanwege gebrek aan belang af.

Dit oordeel is interessant, omdat het hof hiermee op het collectieve actieterrein toch overgaat tot een inhoudelijke toetsing van de haalbaarheid van een collectieve bodemvordering. Daarmee wijkt het hof af van de lijn van de Hoge Raad bij ‘normale’ procedures. De Stichting komt in cassatie dan ook op tegen deze oordeelsvorming van het hof met de strekking dat het hof slechts zeer summier aan artikel 3:305a BW had mogen toetsen. Ook klaagt de Stichting dat het hof ten onrechte de nieuwe regels van het gewijzigde artikel 3:305a BW heeft toegepast.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Hij overweegt dat het hof terecht aan de belangeis van artikel 3:303 BW heeft getoetst. De Hoge Raad herhaalt dat bij de beoordeling niet de haalbaarheid van de mogelijke bodemvordering voorligt. Dat staat er volgens de Hoge Raad echter niet aan in de weg dat het verzoek wegens onvoldoende belang kan worden afgewezen als de verzoeker bij het instellen van de mogelijke bodemvordering niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 3:305a BW. Bovendien heeft het hof volgens de Hoge Raad terecht aan het gewijzigde artikel 3:305a BW getoetst nu dit strookt met het toepasselijke overgangsrecht.

Kort commentaar en een praktijktip

Het oordeel van de Hoge Raad is wat mij betreft goed te begrijpen. Het is in mijn ogen weinig zinvol om een voorlopig getuigenverhoor aan een collectieve actie-entiteit toe te staan wanneer ten tijde van diens verzoek om een voorlopig getuigenverhoor duidelijk is dat die entiteit niet aan de eisen voor het instellen van een collectieve bodemvordering op grond van artikel 3:305a BW voldoet. Het valt op dat de Hoge Raad daarmee in essentie een vorm van inhoudstoetsing van de haalbaarheid van de bodemvordering voorstaat. Daarmee wijkt zijn oordeel wat af van de lijn die hij steevast heeft gevolgd bij ‘normale’ procedures. Dit roept de vraag op of dit arrest van de Hoge Raad als voorbode kan worden gezien voor een koerswijziging ten aanzien van ‘normale’ verzoeken om een voorlopig getuigenverhoor.

Dit arrest leert ons in ieder geval dat het bij een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor door een collectieve actie-entiteit zeer effectief is om het verweer te voeren dat de betreffende entiteit niet aan de eisen artikel 3:305a BW voldoet. Het is dan ook raadzaam daarop in te gaan bij een verweer in dergelijke gevallen. In het verlengde daarvan acht ik het ook in ‘normale’ procedures zinvol om als verweer tegen een verzoek om voorlopig getuigenverhoor te betogen dat de gepretendeerde vordering niet kan slagen, als daar aanknopingspunten voor zijn. Hoewel een dergelijk verweer wat tegen de bestaande lijn van de Hoge Raad bij ‘normale’ procedures in lijkt te gaan, is de logica hetzelfde: het heeft geen zin een voorlopig getuigenverhoor te gelasten als duidelijk is dat de gepretendeerde bodemvordering in alle waarschijnlijkheid niet zal slagen.

[1] Zie HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250, rov. 4.2.1

[2] Zie HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250, rov. 4.2.2-4.2.3.

[3] Zie bijvoorbeeld Rb Amsterdam 20 december 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY038 en Rb Den Haag 29 november 2018, ECLI:NL:BDHA:2018:15350.

[4] Zie bijvoorbeeld HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8146.

Meer artikelen over:Cassatie