Buitenlandse rechterlijke uitspraken in Nederland: erkenning en bewijswaarde

Een Nederlandse rechterlijke uitspraak is in Nederland een executoriale titel. Een buitenlandse rechterlijke uitspraak is dat niet. Om een buitenlandse rechterlijke uitspraak in Nederland te kunnen executeren moet – afhankelijk van waar de buitenlandse uitspraak vandaan komt –  eerst een Nederlandse procedure doorlopen worden. In die procedure kan de Nederlandse rechter de buitenlandse uitspraak gezag toekennen, waarna de veroordeling uit de buitenlandse uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd, in de vorm van een uitspraak van de Nederlandse rechter. Deze blog gaat in op een recente uitspraak van de Hoge Raad over een bijzondere vorm van die procedure.[1]

De ‘Albanese achtergrond’ van de zaak

Twee Italiaanse bedrijven – BEG en ENEL – zouden in Albanië energie uit water opwekken, en deze energie in Italië verkopen. Daarvoor richtten zij een Albanese projectmaatschappij op, genaamd AlbaniaBEG. Het project ging echter niet door. BEG startte en verloor in Rome een arbitrageprocedure tegen ENEL.

Daarna begon AlbaniaBEG in Albanië een procedure tegen ENEL AlbaniaBEG had in Albanië succes: zij kreeg door de Rechtbank in Tirana meer van EUR 430 miljoen aan schadevergoeding toegewezen. ENEL ging in hoger beroep, omdat volgens haar de schadevergoeding ten onrechte was berekend op basis van de totale omzet van het project. Die wijze van schadebegroting staat het Albanese recht niet toe, zo betoogde ENEL. ENEL ving echter bot: de veroordeling tot betaling van de enorme schadevergoeding aan AlbaniaBEG bleef ook in hoger beroep en cassatie in Albanië overeind. ENEL wendde zich uiteindelijk zelfs tot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (het ‘EHRM’). Volgens haar had ze namelijk in Albanië geen eerlijk proces gehad. Het EHRM achtte ENEL echter niet-ontvankelijk, aangezien ENEL niet alle Albanese rechtsmiddelen had uitgeput: er was in theorie nog een bijzonder beroep bij het Albanese Constitutionele Hof mogelijk, maar de gronden voor zo’n beroep ontbraken in deze zaak.

AlbaniaBEG stapte vervolgens naar de Nederlandse rechter, en probeerde de uitspraak van de Albanese rechter in Nederland te laten erkennen en ten uitvoer te leggen. Omdat de groepsfinancieringsmaatschappij van ENEL in Nederland was gevestigd, had AlbaniaBEG haar vordering op ENEL in één keer in Nederland kunnen incasseren.

In het kort: erkenning van buitenlandse rechterlijke uitspraken in Nederland en de ‘Gazprombank-criteria’

Uitspraken van Nederlandse rechters leveren een executoriale titel op in Nederland. Uitspraken van buitenlandse rechters niet: voor executie van een buitenlandse uitspraak in Nederland moet – afhankelijk van of die uitspraak buiten de Europese Unie is gewezen[2] – eerst verlof worden gekregen in een daarvoor bestemde procedure voor de Nederlandse rechter. De procedure waarmee buitenlandse rechterlijke uitspraken in Nederland kunnen worden erkend en tenuitvoergelegd (de ‘exequaturprocedure’) staat omschreven in artikel 985 e.v. Rv.

Als de uitspraak van de buitenlandse rechter niet op grond van artikel 985 e.v. Rv kan worden (erkend en) ten uitvoer gelegd, kan de uitspraak van de buitenlandse rechter niet in Nederland ten uitvoer worden gelegd, zo bepaalt artikel 431 lid 1 Rv. In dat geval moet de Nederlandse rechter het geschil opnieuw beoordelen, bepaalt artikel 431 lid 2 Rv.

In het Gazprombank-arrest uit 2014 oordeelde de Hoge Raad over die herbeoordeling dat een buitenlandse uitspraak in Nederland in beginsel gezag moet worden toegekend, en dus voor tenuitvoerlegging in de vorm van een Nederlandse uitspraak vatbaar zal zijn, indien aan vier voorwaarden wordt voldaan, die nu vaak als de Gazprombank-criteria worden aangeduid:[3]

  1. de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is,
  2. de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging,
  3. de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde, en
  4. de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.

Als aan deze criteria wordt voldaan, zal de Nederlandse rechter in beginsel gezag aan de buitenlandse uitspraak toekennen, en – indien gevorderd – een veroordeling uitspreken in lijn met de buitenlandse uitspraak. Dit wordt daarom ook wel een ‘verkapte-exequaturprocedure’ genoemd.

Een partij die een buitenlandse uitspraak in Nederland ten uitvoer wil leggen, doet er goed aan om op grond van artikel 431 lid 2 Rv twee routes te volgen: primair eisen dat wederpartij wordt veroordeeld tot hetzelfde als de buitenlandse uitspraak hem/haar toe verplicht, en subsidiair een herbeoordeling vragen. Als de rechter dan oordeelt dat niet aan de Gazprombank-criteria is voldaan, zodat de buitenlandse uitspraak geen gezag heeft, hoeft er niet een nieuwe procedure op te worden gestart om tot een inhoudelijke herbeoordeling over te gaan.

Wat doet de Nederlandse rechter in zijn herbeoordeling met de buitenlandse uitspraak?

Dat laatste had AlbaniaBEG ook gedaan. De Rechtbank oordeelde dat de uitspraak van de Albanese rechter aan de Gazprombank-criteria voldeed, en dus kon worden erkend en ten uitvoer gelegd. Het Hof Amsterdam oordeelde anders: de uitspraak van de Albanese rechter kon niet in Nederland worden erkend, omdat het (samengevat) niet tot stand was gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende warborgen omklede rechtspleging (het tweede Gazprombank-criterium). Bovendien zou erkenning van de beslissing in strijd komen met de Nederlandse openbare orde (het derde Gazprombank-criterium).[4] Het hof woog in die beoordeling in het bijzonder mee dat de manier waarop de schadevergoeding was berekend niet strookte met het Albanese recht, zoals ENEL ook voor de Albanese rechter – zonder succes – had betoogd.

Het hof ging daarna over tot een inhoudelijke herbeoordeling van de hele zaak, en wees alle vorderingen van AlbaniaBEG alsnog af.[5] Het hof oordeelde daarbij dat het alle vorderingen en weren van beide partijen zoals gevoerd voor de Albanese rechter alsnog in zijn beoordeling zou betrekken, maar dat er geen ruimte was voor nieuwe stellingen van partijen.

AlbaniaBEG ging in cassatie, en betoogde (onder andere) dat het hof niet tot een herbeoordeling van de hele zaak had mogen overgaan, maar alleen van het deel van de Albanese uitspraak dat volgens het hof niet voldeed aan de Gazprombank-criteria.

De Hoge Raad verwierp dat betoog, en oordeelde dat als ‘een uitspraak’ van een buitenlandse rechter niet in Nederland kan worden erkend, het om de hele uitspraak gaat en niet om (slechts) één deel daarvan. De rechter dient dus op grond van artikel 431 lid 2 Rv over te gaan tot een herbeoordeling van de hele zaak, en niet alleen van het onderdeel (of de onderdelen) van de uitspraak die niet voldoet of voldoen aan de Gazprombank-criteria.

Of en in hoeverre de rechter dan nog bewijskracht aan de buitenlandse uitspraak toekent, is aan zijn beoordeling overgelaten, zo oordeelt de Hoge Raad met verwijzing naar artikel 152 lid 2 Rv, waarin de rechterlijke bewijswaarderingsvrijheid is geregeld.[6] Hiermee lijkt de Hoge Raad dus te oordelen dat het hele debat weer helemaal open ligt. Toch zijn bij die opvatting vraagtekens te plaatsen, zoals blijkt uit één van de verworpen klachten van AlbaniaBEG.

Het geding opnieuw behandeld?

AlbaniaBEG betoogde namelijk óók dat, anders dan het hof had geoordeeld, beide partijen wél nieuwe stellingen en eisen naar voren mochten brengen in de herbeoordeling op grond van artikel 431 lid 2 Rv.

Dat betoog verwierp de Hoge Raad zonder te oordelen waarom (met toepassing van artikel 81 RO). Dat is jammer, omdat A-G De Bock juist concludeerde dat het hof een fout had gemaakt door te oordelen dat er geen nieuwe stellingen en eisen naar voren mochten worden gebracht.[7] Volgens de A-G wordt het hele geschil ‘overgedaan’, en is er dus plaats voor bijvoorbeeld een eisvermeerdering.[8] Kennelijk achtte de Hoge Raad echter het oordeel van het hof dat er geen ruimte was voor stellingen die niet in de buitenlandse procedure al waren ingenomen, juist.

Het oordeel van de Hoge Raad over dit onderwerp is onbevredigend. De Hoge Raad oordeelt immers dat de rechter het “het geding vervolgens op de voet van art. 431 lid 2 Rv opnieuw behandelt”.[9] Het geding hoeft volgens mij niet beperkt te zijn tot hetgeen partijen in hun processtukken voor de buitenlandse rechter hebben opgeschreven. Het kan zijn dat op grond van het buitenlandse (proces)recht, bepaalde standpunten niet zijn of hoefden te worden ingenomen. Nederlandse advocaten kunnen ook van mening zijn dat de Nederlandse rechter, die het geding als geheel opnieuw dient te beoordelen, bepaalde stellingen die (nog) niet zijn ingenomen van belang zou kunnen achten.

Daarin ligt dus een aandachtspunt voor de praktijk. Indien de buitenlandse uitspraak niet aan de Gazprombank-criteria voldoet en dus geen gezag toekomt, vindt er kennelijk geen herbeoordeling van het geschil plaats, maar in feite een herbeoordeling van de al aangevoerde stellingen. Indien er in het buitenland wordt geprocedeerd met de bedoeling om in Nederland ten uitvoer te leggen, kan het zinvol zijn om op deze beperking te anticiperen in de buitenlandse procedure.

 

[1]     Hoge Raad 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1170.
[2]     De belangrijkste uitzondering op deze regel vormen uitspraken van rechters van andere EU-lidstaten. Die uitspraken worden zonder vorm van proces in Nederland erkend, en zijn dan voor tenuitvoerlegging vatbaar (artikel 36 e.v. Brussel I-bis Vo).
[3]     Hoge Raad 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, rov. 3.6.4.
[4]     Hof Amsterdam 17 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3008.
[5]     Hof Amsterdam 3 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4260.
[6]     Hoge Raad 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1170, rov. 3.4.2.
[7]     Conclusie A-G 5 februari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:102, nr. 4.48.
[8]     Conclusie A-G 5 februari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:102, nr. 3.12.
[9]     Hoge Raad 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1170, rov. 3.4.2.