Bewijsrecht naar Curaçaos burgerlijk procesrecht

Het bewijsrecht van het Curaçaose Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder het “Rv-C”) verschilt in een aantal opzichten van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder het “Rv-N”). Ook op het gebied van het getuigenbewijs zijn er duidelijke verschillen. Het Rv-N beperkt bijvoorbeeld de bewijskracht van partijgetuigenverklaringen: die kunnen alleen dienen als aanvullend bewijs voor door die partij te bewijzen feiten (artikel 164 lid 2 Rv-N). Het Rv-C kent die beperking niet. Ook bevat het Rv-C een bijzondere regel die de gelijkheid van partijen vooropstelt in de rechterlijke beslissing om een partijgetuige te horen. In een recent arrest (HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1772) ging de Hoge Raad nader in op het bewijsrecht onder Rv-C, en in het bijzonder op de laatstgenoemde regel.

Belangrijkste feiten, en het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie

De feiten komen, heel kort samengevat, neer op het volgende. De bank MCB had een lening aan de vennootschap Watapana verstrekt. De kredietrekening van Watana bij de bank toonde lange tijd een grote debetstand. Een medewerker van de bank trad daarop in overleg met de bestuurder van Watapana. Even later werd er een geldbedrag op de rekening van Watapana bij de bank overgemaakt.

Watapana en haar bestuurder begonnen later een procedure tegen de bank. Tijdens een getuigenverhoor in die procedure, werd de bankmedewerker als getuige gehoord. Hij verklaarde dat de bestuurder van Watapana hem tijdens het overleg had verzekerd dat er direct betaald zou worden. De bestuurder had tijdens de zitting, op een vraag van de rechter, geantwoord dat betaling pas zou volgen nadat er inkomsten waren gekomen. Ondanks dat Watapana en de bestuurder hadden aangeboden om de bestuurder als partijgetuige te horen, passeerde de rechter dat aanbod, omdat de bestuurder tijdens de zitting al veel aan het woord was geweest.

De Hoge Raad over het bewijsrecht van Rv-C

In cassatie klaagden Watapana en haar bestuurder over hoe het Hof was omgegaan met het bewijsrecht onder Rv-C. Watapana en de bestuurder klaagden dat het hof het aanbod om de bestuurder als partijgetuige te horen, niet mocht passeren. Daartoe beriepen Watapana en haar bestuurder zich op artikel 145 lid 4 Rv-C en het in artikel 6 EVRM verankerde beginsel van equality of arms. Volgens Watapana en de bestuurder had het hof op grond van alleen de verklaringen van de bankmedewerker ten nadele van haar beslist, en had het hof uit het oogpunt van gelijkheid van partijen de bestuurder ook moeten horen.

Artikel 145 Rv-C bepaalt voor zover van belang:

  1. Indien bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten, beveelt de rechter een getuigenverhoor, zo vaak een der partijen het verzoekt en de door haar te bewijzen aangeboden feiten betwist zijn en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. Hij kan dit ook ambtshalve doen.

[…]

  1. Het eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing indien verzocht wordt een partij als getuige te horen, tenzij dit verhoor geboden is uit een oogpunt van gelijkheid van partijen. In andere gevallen is de rechter vrij om op verzoek het verhoor van een partij als getuige te bevelen.

De Hoge Raad citeert uit de parlementaire geschiedenis van dit artikel, waaruit blijkt dat de wetgever van Rv-C bij het vormgeven van het bewijsrecht bewust heeft gekozen om partijgetuigenverklaringen toe te staan. De ratio daarachter is dat het onwenselijk is dat, (met name) wanneer een natuurlijk persoon tegen een rechtspersoon procedeert, een natuurlijk persoon aan de zijde van de rechtspersoon wél als getuige kan worden gehoord, maar de natuurlijk persoon-wederpartij níet. Het Rv-C kent – net als het Rv-N – een prognoseverbod: de rechter mag niet op basis van wat hij verwacht van de inhoud van een getuigenverklaring, het aanbod tot het leveren van getuigenbewijs afwijzen. Een verschil tussen het Rv-C en het Rv-N is dat het prognoseverbod onder het Rv-C niet geldt voor het aanbod om een partijgetuigen te horen. Een uitzondering daarop is dan weer wanneer het horen van een partijgetuige vanuit uit het oogpunt van gelijkheid van partijen geboden is, zoals bepaald in artikel 145 lid 4 Rv-C.

Het hof had geoordeeld dat de bestuurder van Watapana tijdens de zitting veel aan het woord was geweest. De verklaringen die toen zijn afgelegd, heeft het hof afgewogen tegen de getuigenverklaring van de bankmedewerker. Volgens de Hoge Raad bleek niet dat het hof de verklaringen van de bestuurder minder bewijskracht had toegekend, dan het had gedaan indien hij als partijgetuige was gehoord. Het hof was van kennelijk van oordeel dat het horen van de bestuurder niet nodig was vanuit het oogpunt van de gelijkheid van partijen, oordeelde de Hoge Raad. Het hof kon daarom terecht het aanbod om de bestuurder als partijgetuige te horen, passeren. Dat was niet in strijd met artikel 145 lid 4 Rv-C, of met het beginsel van equality of arms.

Bewijsaanbod

Over het bewijsaanbod in hoger beroep is naar Rv-N een aparte blog gepubliceerd. Uit de door de Hoge Raad geciteerde parlementaire geschiedenis bij het Rv-C blijkt (ook) hoe belangrijk het is om een concreet en ter zake dienend aanbod te doen om getuigen te horen. De eisen van concreetheid en voldoende specificatie gelden óók bij het aanbod om een partijgetuige te horen. Het is dus ook onder Rv-C van groot belang om aan te geven welke stellingen bewezen kunnen worden, door het horen van welke (partij)getuigen. Daarin verschillen Rv-C en Rv-N dus weer niet.

Deze auteur is niet langer werkzaam bij BarentsKrans, voor meer informatie over dit onderwerp kunt u terecht bij Philip Fruytier.

Meer artikelen over:Cassatie