Geen bestuurdersaansprakelijkheid ondanks te laat deponeren

De Hoge Raad heeft op 12 februari uitspraak gedaan in een zaak tussen een advocaat en de curator in het faillissement van de voormalige praktijkvennootschap van de advocaat. De curator hield de advocaat op grond van art. 2:248 BW als bestuurder aansprakelijk voor het tekort in het faillissement. Aangezien de advocaat de jaarrekening van zijn vennootschap te laat had gedeponeerd, beriep de curator zich op het vermoeden van causaal verband tussen de vaststaande onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement (art. 2:248 lid 2 BW). De advocaat had echter aangevoerd dat er andere belangrijke oorzaken van het faillissement waren dan zijn onbehoorlijk bestuur. Namelijk de teruglopende omzet van zijn ‘maat’, met wie hij een kostenmaatschap was aangegaan, en het feit dat zijn praktijkvennootschap onverwacht volledig aansprakelijk bleek te zijn voor de huur van de kantoorruimte van de kostenmaatschap. Het hof had deze verweren verworpen, omdat de advocaat de teruglopende omzet van zijn maat beter in de gaten had moeten houden en hij rekening had moeten houden met volledige aansprakelijkheid voor de huur. Volgens de Hoge Raad is onder de door de advocaat gestelde omstandigheden echter geen sprake van een voor het faillissement relevante onbehoorlijke taakvervulling.

De uitspraak maakt duidelijk dat het niet tijdig openbaar maken van de jaarrekening (of het niet voeren van een deugdelijke administratie) niet zonder meer tot aansprakelijkheid van een bestuurder leidt. Art. 2:248 lid 2 BW heeft slechts tot gevolg dat de bewijslast ten aanzien van het causaal verband tussen de (vaststaande) onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement omkeert. De aangesproken bestuurder moet dan dus aannemelijk maken dat dit causaal verband ontbreekt, in plaats van dat de curator dit verband moet bewijzen. Anders dan soms wel wordt gedacht, betekent dit echter niet dat voor aansprakelijkheid van de bestuurder een minder ernstig verwijt volstaat. De aangesproken bestuurder kan dan ook aan aansprakelijkheid ontkomen door aannemelijk te maken dat het faillissement niet het gevolg is van ernstig onzorgvuldig handelen (‘handelen zoals geen redelijk denkend bestuurder had kunnen doen’). De bestuurder kan dit doen door aannemelijk te maken dat het faillissement het gevolg is van ‘gewone’ inschattingsfouten, die echter niet voldoende ernstig zijn om als onbehoorlijke taakvervulling te worden aangemerkt.

Betrokken cassatie advocaten: