De bevoegde rechter bij beëindiging van een stilzwijgende internationale handelsrelatie

Meer artikelen over:Commerciële contracten

Met het recent door het Europese Hof van Justitie (“HvJEU”) gewezen Granarolo/Ambrosi-arrest is een antwoord gegeven op de vraag of een schadevergoedingsvordering vanwege het abrupt beëindigen van een jarenlange, niet schriftelijk vastgelegde handelsrelatie onder de Brussel I-Verordening (“Brussel I”) kwalificeert als een verbintenis uit overeenkomst of een verbintenis uit onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 5 punt 1 respectievelijk punt 3 daarvan. In de herschikte EEX-Verordening gaat het om de artikelen 7 punt 1 en 2. Dat hangt, aldus het HvJEU, af van de concrete omstandigheden van het geval.

Artikel 5 punt 1 en punt 3 Brussel I bevatten bijzondere (alternatieve) bevoegdheidsgronden op basis waarvan een partij met woon- of vestigingsplaats in een lidstaat voor de rechter in een andere lidstaat kan worden opgeroepen. Veelal zal de eisende partij bij een vordering uit wanprestatie en/of onrechtmatige daad op één of beide artikelen een beroep doen om zo voor de rechter in zijn eigen land te kunnen procederen.

Deze zaak betrof een geschil tussen het in Italië gevestigde Granarolo en het in Frankrijk gevestigde Ambrosi. Na 25 jaar zakendoen op basis waarvan Ambrosi door Granarolo geproduceerde levensmiddelen in Frankrijk distribueerde, beëindigde Granarolo de niet op schrift gestelde handelsrelatie met Ambrosi vrijwel met onmiddellijke ingang. Volgens Ambrosi was die abrupte beëindiging in strijd met de Franse Code de commerce en zij stelde daarom een schadevergoedingsvordering jegens Granarolo in. Het Franse tribunal de commerce verklaarde zich vervolgens bevoegd. Dat was namelijk van oordeel dat de schadevergoedingsvordering een vordering uit onrechtmatige daad betrof en de plaats waar de schade was ingetreden ex artikel 5 punt 3 Brussel I het hoofdkantoor van Ambrosi in Nice (Frankrijk) was. Daarop riep Granarolo, op haar beurt, bij de cour d’appel de Paris de onbevoegdheid van de Franse rechter in. Granarolo voerde daartoe aan dat i) de beweerde schadevergoedingsvordering van Ambrosi een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5 punt 1 Brussel I zou zijn (en dus niet een verbintenis uit onrechtmatige daad), ii) artikel 5 punt 1 onder b Brussel I voor de (ver)koop van roerende lichamelijke zaken de rechter bevoegd verklaart van de plaats waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden, en iii) de zaken in kwestie in Bologna (Italië) werden afgeleverd. Volgens Granarolo was daarom niet de Franse rechter maar de Italiaanse rechter bevoegd. De Franse cour d’appel de Paris stelde het Europese Hof vervolgens twee prejudiciële vragen.

De eerste prejudiciële vraag was of een schadevergoedingsvordering wegens het verbreken van vaste handelsbetrekkingen in het kader waarvan gedurende meerdere jaren zonder raamovereenkomst of exclusiviteitsbeding handelswaar aan een distributeur werd geleverd, als een verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 5 punt 3 Brussel I kwalificeert. Als gezegd hangt dat er volgens het HvJEU van af. Zo’n schadevergoedingsvordering is geen verbintenis uit onrechtmatige daad in de hiervoor bedoelde zin indien partijen in een stilzwijgend overeengekomen contractuele verhouding tot elkaar stonden, hetgeen ter beoordeling van de aangezochte rechter is. Het HvJEU overweegt daartoe, onder andere, dat in een groot aantal lidstaten jarenlange handelsbetrekkingen die niet zijn vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst in beginsel kunnen worden aangemerkt als stilzwijgend overeengekomen contractuele verhoudingen die bij schending daarvan tot contractuele aansprakelijkheid kunnen leiden, en bovendien dat een verbintenis uit overeenkomst ex artikel 5 punt 1 Brussel I stilzwijgend kan ontstaan (zodat een schriftelijke overeenkomst niet hoeft te zijn gesloten).

Dit betekent concreet dat de rechter moet nagaan of de jarenlange handelsbetrekking in kwestie door stilzwijgend overeengekomen verplichtingen wordt gekenmerkt, zodat van een contractuele verhouding kan worden gesproken. Is dat het geval, dan kwalificeert de schadevergoedingsvordering niet als een verbintenis uit onrechtmatige daad ex artikel 5 punt 3 Brussel I, maar als een verbintenis uit overeenkomst ex artikel 5 punt 1 Brussel I. Voor de partij die de onbevoegdheid van de aangezochte rechter op basis van artikel 5 punt 3 Brussel I betwist, is in dit verband een schone taak weggelegd. Die partij zal het bestaan van een stilzwijgend overeengekomen contractuele verhouding aan de hand van een aantal onderling samenhangende factoren moeten aantonen. Daarbij kan met name sprake zijn van jarenlange handelsbetrekkingen, de goede trouw tussen partijen, de regelmatigheid van de transacties en hun ontwikkeling in de loop van de tijd in termen van hoeveelheid en waarde, en de gevoerde correspondentie.

Komt de rechter evenwel tot de conclusie dat geen sprake is van stilzwijgend overeengekomen verplichtingen, dan kenmerkt de schadevergoedingsvordering zich als een verbintenis uit onrechtmatige daad. In dat geval moet de bevoegde rechter aan de hand van artikel 5 punt 3 Brussel I worden vastgesteld.

Met de tweede prejudiciële vraag wilde de cour d’appel de Paris weten of de jarenlange handelsbetrekking in kwestie moet worden aangemerkt als een overeenkomst tot koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken of als een overeenkomst tot verstrekking van diensten in de zin van artikel 5 punt 1 onder b Brussel I, eerste respectievelijk tweede streepje. Deze vraag is relevant indien het HvJEU zou oordelen dat de schadevergoedingsvordering kwalificeert als een verbintenis uit overeenkomst. Het antwoord hierop is van belang omdat voornoemde bepalingen andersluidende regels bevatten om de bevoegde rechter vast te stellen. Volgens het HvJEU hangt ook het antwoord op díe vraag af van alle specifieke omstandigheden, dat ter beoordeling van de aangezochte rechter (en dus niet van het HvJEU) staat.

Wel geeft het HvJEU mee dat een jarenlange dienstbetrekking als in onderhavige zaak aan de orde als een koopovereenkomst zou kunnen kwalificeren indien de kenmerkende verbintenis van de betrokken overeenkomst de levering van een goed is. Daarvoor is noodzakelijk dat de betrokken rechtsverhouding niet verder gaat dan het sluiten van opeenvolgende overeenkomsten die elk het leveren en afhalen van goederen tot voorwerp hebben. Een klassieke distributieovereenkomst (waarbij sprake is van een raamovereenkomst met als voorwerp een leverings- en afnameverplichting die twee ondernemers voor de toekomst aangaan) valt hier niet onder.

De jarenlange dienstbetrekking in kwestie kan volgens het HvJEU echter ook als een overeenkomst tot verstrekking van diensten kwalificeren. Daarvan is sprake als de kenmerkende verbintenis van de betrokken overeenkomst een dienstverrichting is. Hiervoor is, blijkens een eerder arrest van het HvJEU (van 19 december 2013; Corman-Collins), ten minste vereist dat de partij die de dienst verstrekt een activiteit verricht (inhoudende een positieve handeling, niet zijnde het enkel nalaten van een handeling (voorwaarde a)) en dat ook nog eens doet tegen een vergoeding als tegenprestatie (voorwaarde b). In ditzelfde arrest oordeelde het HvJEU bovendien dat een klassieke distributieovereenkomst (zoals hierboven genoemd) als een overeenkomst tot het verstrekken van diensten kan kwalificeren.

Het volledige Granarolo/Ambrosi-arrest van 14 juli jl. is hier te raadplegen.