Annuleringsbeding in onderwijs­overeenkomst onredelijk bezwarend?

Meer artikelen over:Cassatie
Hugo Boom
Hugo Boom Advocaat

Particuliere onderwijsinstellingen hanteren veelal een annuleringsbeding in hun overeenkomst. Dat beding heeft de strekking dat de student de overeenkomst te allen tijde kan opzeggen, maar dat tussentijdse opzegging niet kan leiden tot restitutie van het verschuldigde cursusgeld of het vervallen van de betaalplicht. In het hierna te bespreken arrest van 27 oktober jl. (ECLI:NL:HR:2017:2775) laat de Hoge Raad zich over de toelaatbaarheid van zo’n beding uit.

Het annuleringsbeding van Tio Teach B.V.

Op 22 augustus 2012 meldt een student zich aan voor de MBO-opleiding hotelmanagement van Tio Teach B.V. Op de achterzijde van het aanmeldingsformulier is een annuleringsbeding opgenomen, dat inhoudt dat de ingeschrevene de overeenkomst te allen tijde kan opzeggen, maar dat tussentijdse beëindiging niet tot restitutie van het verschuldigde bedrag of tot het vervallen van de betaalplicht daarvan kan leiden.

Na drie maanden zegt de student de overeenkomst op omdat hij door psychische problemen niet langer in staat is om het onderwijs te volgen. Op dat  moment heeft hij € 7800,- van het totaalbedrag van € 12.600,- aan cursusgeld voldaan. Zijn ouders verzoeken Tio om een regeling, maar Tio houdt mede vanwege mogelijke precedentwerking vast aan de verplichtingen uit de onderwijsovereenkomst. Tio vordert daarom bij de rechter het restant van het cursusgeld. De student vordert in reconventie terugbetaling van het zijns inziens onverschuldigd betaalde deel daarvan. Volgens hem is het beding vernietigbaar.

Annuleringsbeding vernietigbaar?

Bij de vraag of het annuleringsbeding vernietigbaar is spelen twee wettelijke regimes een rol: de regeling van de overeenkomst van opdracht (artikel 7:400 e.v. BW) en de Richtlijn oneerlijke bedingen (Richtlijn 93/13/EEG, welke regels in artikel 6:231 e.v. BW zijn opgenomen).

Overeenkomst van opdracht en Richtlijn oneerlijke bedingen

In het algemeen wordt aangenomen dat een onderwijsovereenkomst als opdracht-overeenkomst kwalificeert. De regeling van de overeenkomst van opdracht bevat voor consumenten (op grond van artikel 7:413 lid 2 BW jo. artikel 7:408 lid 3 BW) een aantal dwingendrechtelijke bepalingen waar het annuleringsbeding van Tio zich mogelijk niet mee verhoudt. In dit kader zijn met name artikel 7:411 BW en artikel 7:408 BW van belang. Artikel 7:411 lid 1 BW bepaalt dat de opdrachtnemer recht heeft op een redelijk loon bij voortijdige beëindiging van de opdracht. Artikel 7:408 lid 1 BW bepaalt dat de opdrachtgever te allen tijde gerechtigd is de overeenkomst op te zeggen. In lid 3 van artikel 7:408 BW is bepaald dat de opdrachtgever ter zake van de opzegging geen schadevergoeding verschuldigd is.

Daarnaast rijst de vraag of het annuleringsbeding als algemene voorwaarde onredelijk bezwarend is als bedoeld in artikel 6:233, aanhef en onder a, BW, en daarom vernietigbaar.

Hof: annuleringsbeding is onredelijk bezwarend

Het hof heeft overwogen dat het beding onredelijk bezwarend is. Het hof heeft daartoe overwogen dat het beding onder de reikwijdte van de Richtlijn oneerlijke bedingen valt. Voor de toets of het beding onredelijk bezwarend is heeft het vervolgens aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 7:411 BW.

Nu het annuleringsbeding aan de ene kant bepaalt dat de cursist te allen tijde mag opzeggen, maar Tio aan de andere kant op grond van het beding recht heeft op het volledige cursusgeld, is er volgens het hof geen sprake van een reële mogelijkheid tot opzegging. Dat is in strijd met de geest van artikel 7:408 lid 1 en 7:411 BW: de opdrachtgever moet de overeenkomst tussentijds kunnen opzeggen en de opdrachtnemer heeft dan recht op een redelijk loon voor zijn werkzaamheden. Het beding is daarom volgens het hof onredelijk bezwarend en moet worden vernietigd. Vervolgens heeft het hof op grond van artikel 7:411 lid 1 BW het redelijk loon vastgesteld op 3/12 van het totaalbedrag van het cursusgeld.

In cassatie: kon het hof aansluiting zoeken bij artikel 7:411 BW?

In cassatie klaagt Tio onder meer dat het hof bij de beoordeling van het annuleringsbeding geen aansluiting had mogen zoeken bij artikel 7:411 BW, omdat deze bepaling op zichzelf niet van toepassing is op de overeenkomst. Tio heeft betoogd dat in dit geval de verschuldigdheid van loon niet afhankelijk is van de volbrenging van de opdracht of van het verstrijken van de tijd waarvoor de opdracht is verleend, wat artikel 7:411 BW voor zijn toepasselijkheid vereist. Aan de student stond bij het aangaan van de overeenkomst immers het gehele (niet onder te verdelen) onderwijspakket voor het betreffende jaar ter beschikking en de student had de daartegenover staande verplichting om het gehele cursusgeld te betalen, aldus Tio.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Hij overweegt dat het hof voor de beoordeling van de vraag of het annuleringsbeding onredelijk bezwarend is, ofwel “een aanzienlijke verstoring van het evenwicht” tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt, aansluiting mocht zoeken bij het bepaalde in artikel 7:411 BW. De overeenkomst is immers terecht als overeenkomst van opdracht aangemerkt, aldus de Hoge Raad. Het getuigt daarom niet van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof de vraag of het beding onredelijk bezwarend is mede heeft beantwoord aan de hand van de vraag of er sprake was van een redelijk loon bij tussentijdse opzegging. De Hoge Raad gaat in zijn overwegingen overigens niet nader in op de vraag of artikel 7:411 BW op zichzelf van toepassing zou kunnen zijn op de overeenkomst.

Gevolgen voor particuliere onderwijsinstellingen

Ook wat de Hoge Raad betreft kan het betreffende annuleringsbeding dus niet door de beugel. De wijze waarop het hof tot dat oordeel is gekomen kan de cassatietoets bovendien doorstaan.

Dit arrest maakt aldus duidelijk dat dergelijke annuleringsbedingen, die veelal door particuliere onderwijsinstellingen worden gehanteerd, in beginsel vernietigbaar zijn. In de lagere rechtspraak werd daarover nog wel een enkele keer anders geoordeeld. Zo was het Hof Amsterdam in een vergelijkbare zaak tussen Tio en een student van oordeel, kort samengevat, dat uit de contractuele verhouding van partijen volgt dat de student het gehele cursusgeld verschuldigd is bij aanvang van het cursusjaar voor het onderwijsprogramma als geheel, zodat een opzegging aan die bestaande betalingsverplichting voor het betreffende studiejaar geen einde maakt (Hof Amsterdam 12 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1419).

Conclusie

Het annuleringsbeding uit de onderwijsovereenkomst van Tio laat zich aldus niet rijmen met de consumentenbeschermende bepalingen van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Onderwijsinstellingen die dergelijke annuleringsbedingen hanteren zullen zich op grond van dit arrest wellicht moeten beraden over eventuele aanpassing van de voorwaarden van hun onderwijsovereenkomst.

Tio Teach B.V. werd in cassatie bijgestaan door advocaten Rieme-Jan Tjittes en Hugo Boom.