Afgebroken onderhandelingen | Ken uw klassiekers

In deze rubriek bespreken de (cassatie)advocaten van BarentsKrans oude arresten die nog steeds relevant zijn. De klassieker CBB/JPO uit 2005 is het huidige standaardarrest voor aansprakelijkheid wegens het afbreken van onderhandelingen, waarin de Hoge Raad zijn rechtspraak op het gebied van precontractuele aansprakelijkheid samenvat.

Niet alle onderhandelingen leiden tot een deal. Partijen kunnen verschillende verwachtingen hebben, liever met een ander in zee gaan, in z’n geheel afzien van de plannen: er zijn vele redenen denkbaar om de stekker uit onderhandelingen te trekken. De contractsvrijheid brengt mee dat iedereen in beginsel vrij is om onderhandelingen wanneer en waarom dan ook af te breken. Die vrijheid is echter niet onbegrensd.

Wanneer partijen met elkaar in onderhandeling treden, ontstaat er een rechtsverhouding die is onderworpen aan de eisen van de redelijkheid en billijkheid. In deze precontractuele fase moeten partijen daarom over en weer rekening houden met elkaars belangen.[1] In sommige gevallen kan dat meebrengen dat het onrechtmatig is om de onderhandelingen af te breken. Dit werd voor het eerst erkend in het arrest Plas/Valburg (1982), waarna het leerstuk van aansprakelijkheid voor afgebroken onderhandelingen de juridische gemoederen een aantal jaren flink heeft beziggehouden. Het arrest CBB/JPO lijkt het sluitstuk te zijn van de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit gebied.[2]

Afgebroken onderhandelingen: het arrest CBB/JPO

In deze zaak ging het over de onderhandelingen tussen projectontwikkelaar JPO en bouwkundig adviesbureau CBB over de ontwikkeling van een kantoorgebouw voor CBB in Arnhem. JPO zou daarvoor een stuk grond aankopen van de Gemeente Arnhem en dat doorleveren aan CBB. CBB vond dat JPO haar onnodig lang liet wachten op de onderhandelingen met de Gemeente, die volgens haar gedoemd waren om te mislukken. Zij brak daarom de onderhandelingen af en kocht het perceel voor haar kantoorpand rechtstreeks bij de Gemeente. In de rechtszaak die hierop volgde, vorderde JPO vergoeding van de gederfde winst, omdat zij het onaanvaardbaar achtte dat CBB de onderhandelingen afbrak terwijl die zich in de eindfase bevonden en er bij JPO de gerechtvaardigde verwachting bestond dat partijen overeenstemming zouden bereiken. Uiteindelijk gingen de partijen in cassatie en kwam de zaak bij de Hoge Raad terecht.

Uitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad stelt in zijn uitspraak voorop dat ieder van de onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen – vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigde vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van een overeenkomst of in het verband met de overige omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient volgens de Hoge Raad rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan volgens de Hoge Raad ook van belang zijn “of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen.[3]

Daaraan voegt de Hoge Raad nog toe dat het criterium of het afbreken van onderhandelingen wel of niet onaanvaardbaar is, een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf is.[4] Daarmee sluit de Hoge Raad aan bij de toetsingsmaatstaf van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.

Een samenvatting van eerdere jurisprudentie

In één rechtsoverweging vat de Hoge Raad zijn eerdere jurisprudentie over afgebroken onderhandelingen samen. Dat begint met het arrest Baris/Riezenkamp, waarin werd geoordeeld dat onderhandelende partijen over en weer rekening moeten houden met elkaars gerechtvaardigde belangen.

Vervolgens noemt de Hoge Raad twee grondslagen voor aansprakelijkheid, te weten (i) het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand zullen komen van een overeenkomst en (ii) de andere omstandigheden van het geval.[5] Voor een geslaagd beroep op aansprakelijkheid voor afgebroken onderhandelingen moet steeds aan één van deze twee grondslagen zijn voldaan én moet het afbreken van de onderhandelingen daarbovenop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. De grondslagen lijkt de Hoge Raad ontleend te hebben aan een gesneuveld wetsvoorstel dat via het arrest VSH/Shell (1987) geldend recht is geworden.[6] Wat betreft de eerste grondslag geldt dat uit het arrest ABB/Staat (1996) volgt dat dit gerechtvaardigd vertrouwen moet bestaan op het moment van het afbreken van de onderhandelingen.[7] Ook moet het totstandkomingsvertrouwen zijn veroorzaakt door toedoen van de afbrekende partij.[8]

Ook herhaalt de Hoge Raad in CBB/JPO nog maar eens wat hij in het arrest De Ruiterij/MBO al eerder oordeelde: er moet niet alleen rekening gehouden worden met de gerechtvaardigde belangen van de benadeelde partij, maar ook met die van de afbrekende partij.[9] Concreet betekent dit dat zelfs indien is voldaan aan een van de twee genoemde grondslagen, het toch niet onaanvaardbaar zal zijn om onderhandelingen af te breken indien daar een goede reden voor is. Onvoorziene omstandigheden kunnen zo’n goede reden opleveren.

Bestaat de tweede fase nog?

Wat opvalt is dat de Hoge Raad in zijn samenvatting van eerdere rechtspraak met betrekking tot afgebroken onderhandelingen het arrest Plas/Valburg, waar het allemaal mee is begonnen, niet noemt. Sinds dat arrest werd aangenomen dat de precontractuele fase kan worden opgesplitst in drie fasen:

  • Fase 1, waarin het partijen vrij staat om zich zonder schadevergoedingsverplichting terug te trekken uit onderhandelingen;
  • Fase 2, waarin de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat de afbrekende partij de onderhandelingskosten van de benadeelde partij (het negatief contractsbelang) vergoedt;
  • Fase 3, waarin het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar moet worden geacht. In dat geval kan worden gevorderd dat de afbrekende partij zijn wederpartij in dezelfde financiële positie brengt als die waarin zij zou zijn geweest wanneer de overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, inclusief vergoeding van de gederfde winst (het positief contractsbelang).

Sommige auteurs betogen dat de Hoge Raad met CBB/JPO de tweede fase heeft verlaten door Plas/Valburg niet te noemen.[10] Die conclusie laat zich echter niet zonder meer uit het arrest trekken: in CBB/JPO werd alleen gederfde winst gevorderd en geen onderhandelingskosten, waardoor de tweede fase voor dit arrest niet relevant was.[11] In de lagere rechtspraak wordt in elk geval nog wel aangenomen dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid mee kan brengen dat de afbrekende partij de onderhandelingskosten van zijn wederpartij geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening neemt.[12]

Conclusie

In beginsel geldt in onderhandelingssituatie vrijheid blijheid: onderhandelende partijen kunnen met een gerust hart besluiten de onderhandelingen af te breken, zolang ze rekening houden met elkaars gerechtvaardigde belangen. Dat geldt niet alleen voor de belangen van de benadeelde partij: er moet ook rekening worden gehouden met het gerechtvaardigde belang van de afbrekende partij om de onderhandelingen af te breken. Alleen als het afbreken van de onderhandelingen gezien het totstandkomingsvertrouwen van de wederpartij of de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar is, kan de gederfde winst worden gevorderd. Onderhandelingskosten terugkrijgen lijkt iets makkelijker te zijn: daarvoor hoeft niet de hoge drempel van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid te worden gehaald maar geldt de lagere maatstaf van de aanvullende werking.

Meer lezen over het afbreken van onderhandelingen? Lees hier het artikel ‘De aansprakelijkheid voor afgebroken onderhandelingen – een kritisch overzicht’ van Rieme-Jan Tjittes, gepubliceerd in Rechtsgeleerd Magazijn Themis (2016).

 

[1] Dit volgt uit het arrest Baris/Riezenkamp (HR 15 november 1957, NJ 1958/67).

[2] De Hoge Raad lijkt van mening te zijn dat het leerstuk hiermee af is en verwerpt cassatieberoepen op dit onderwerp veelal met art. 81 RO. Zie anders: HR 29 februari 2008, RvdW 2008/284.

[3] HR 12 augustus 2005, NJ 2005/440 (CBB/JPO), rov. 3.6.

[4] HR 12 augustus 2005, NJ 2005/440 (CBB/JPO), rov. 3.7.

[5] De tweede grondslag speelt in latere rechtspraak een minder grote rol dan de eerste. Een voorbeeld is HR 31 mei 1991, NJ 1991/647.

[6] HR 23 oktober 1987, NJ 1988/1071 (VSH/Shell).

[7] HR 4 oktober 1996, NJ 1997/65 (ABB/Staat).

[8] Dit is in lijn met HR 14 juni 1996, NJ 1997/481 (De Ruiterij/MBO).

[9] HR 14 juni 1996, NJ 1997/481 (De Ruiterij/MBO).

[10] Zie bv. C.E. Drion, NJB 2005, p.1781.

[11] O.a. A-G Spier in zijn conclusie voor HR 15 december 2006, RvdW 2007/5 (Planoform/ABN AMRO); Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III (2014), nr. 200 en T.H.M. van Wechem en M.H. Wissink, Contracteren 2005, p.100.

[12] Zie o.a. Hof Den Bosch 31 januari 2006, NJF 2006, 308; Hof Den Bosch 3 november 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009LBK7579, Hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8181 en Hof Den Bosch 22 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1067.