Eerder doorzetten aansprakelijkheid bestuurder artikel 2:11 BW

Meer artikelen over:Cassatie
Paul Tanja
Paul Tanja Advocaat

De Hoge Raad deed vrijdag 17 februari jl. een belangrijke uitspraak over het doorzetten van aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder naar de bestuurders (van vlees en bloed) van die rechtspersoon.

Aansprakelijkheid bestuurder op voet van artikel 2:11 BW?

Centraal in de uitspraak staat artikel 2:11 BW, dat bepaalt dat “de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is”. De vraag die in deze zaak speelde is of de aansprakelijkheid van laatstgenoemde met de aansprakelijkheid van zijn rechtspersoon op grond van artikel 6:162 BW is gegeven, of dat daarvoor de aanvullende eis geldt dat hem “persoonlijk een voldoende ernstig verwijt” kan worden gemaakt. Dit is namelijk het gebruikelijke vereiste voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder o.g.v. artikel 6:162 BW.

De feitelijke achtergrond van de zaak is als volgt. Verweerster in cassatie is een Zuid-Afrikaanse fruitexporteur. Zij levert fruit aan het Nederlandse [A] B.V. Holding is bestuurder van [A] B.V. Holding wordt op haar beurt bestuurd door twee broers. De ene broer is verantwoordelijk voor de financiële en strategische gang van zaken, de ander ziet toe op de gang van zaken op de werkvloer. Op enig moment krijgt verweerster een vordering van een klein miljoen op [A] B.V. wegens fraude met douanerechten. Verweerster wil die vordering op [A] B.V. verhalen, maar kan dit niet omdat haar activa kort daarvoor zijn onttrokken aan de vennootschap. Verweerster slaagt erin om Holding en één van de broers hiervoor aansprakelijk te stellen op grond van onrechtmatige daad. In cassatie stelt verweerster dat deze aansprakelijkheid op de voet van artikel 2:11 BW tevens hoofdelijk op de andere broer rust, althans dat zijn persoonlijke aansprakelijkheid wegens onrechtmatig handelen uitgangspunt is. Het hof was met deze opvatting niet meegegaan, omdat het normale vereiste voor persoonlijke bestuurdersaansprakelijkheid (‘persoonlijk voldoende ernstig verwijt’) op die manier feitelijk wordt omzeild.

Uitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad volgt grotendeels het standpunt van verweerster en vernietigt het bestreden arrest. Volgens de Hoge Raad is artikel 2:11 BW van toepassing in alle gevallen waarin een rechtspersoon in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is op grond van de wet (inclusief artikel 6:162 BW). Dit betekent, zo vervolgt de Hoge Raad, dat voor de vestiging van de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder niet de aanvullende eis geldt, dat ook die bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Wel overweegt de Hoge Raad dat de bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 jo. 2:11 BW (alsnog) kan voorkomen door te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Het uitgangspunt dat de Hoge Raad hier formuleert, strookt op zich met de ratio van artikel 2:11 BW. De ratio is om te voorkomen dat een natuurlijke persoon zich achter de rechtspersoonlijkheid van een rechtspersoon-bestuurder kan verschuilen, wanneer de benadeling van schuldeisers het gevolg is van slecht of onbehoorlijk bestuur. Het is wel zaak dat er genoeg ruimte overblijft voor de bestuurder om zich vrij te pleiten van de aansprakelijkheid van zijn rechtspersoon, bijvoorbeeld met een beroep op de rolverdeling binnen het bestuur. Het is niet voor niets dat de drempel van persoonlijke aansprakelijkheid voor bestuurders in de regel hoog is. Zou dit niet zo zijn, dan zou de persoonlijke aansprakelijkheid constant als een zwaard van Damocles boven bestuurders hangen, wat hun ondernemersgeest hindert.

Guido den Dekker en Paul Tanja stonden de bestuurder bij in cassatie.